Cultuur- en natuurreis met Volvoklassiekers

Prachtige ongerepte natuur met spectaculaire bergen, schitterende meren en een indrukwekkende kustlijn, dat is Ierland. Bovendien kan de rust- en ruimtezoeker hier zijn hart nog ophalen. Dit land, van veertig tinten groen, ontdekken met je eigen klassieker is natuurlijk een beleving die je niet wilt missen. De stichting Klassieke Automobiel Reizen had voor de deelnemers weer iets moois in petto. Ruim twee dagen dwars door Engeland en Wales, elf dagen door het mystieke Ierland en Noord-Ierland en ruim twee dagen via Wales en Engeland weer terug. Na deelname aan de Tatra Trail Classic in 2011 was deze reis weer op ons lijf geschreven. Dat werd dus genieten tijdens de Circuit of Ireland 2015!

Gerard Cox begon in 1973 zijn grootste hit met de woorden ‘je hebt er maandenlang naar uitgekeken…..’, nou wij ook! 21 maanden om precies te zijn. De uitnodiging voor deze fraaie klassiekerreis ontvingen wij namelijk al op 31 augustus 2013. Tijd genoeg dus om goed voor de dag te komen tijdens de ‘proloog’ op 11 april 2015. De technische keuring vindt plaats bij Volvo Cars in Beesd. Bij aankomst is het een weerzien van oude bekenden en onder het genot van een beker koffie wachten we af tot onze bordeauxrode vriend de brug op kan. Tijdens de keuring wordt onze Volvo 240 flink onder de loep genomen. Onze 240 GL Classic uit 1993 blijkt de jongste van de uit alle hoeken van Nederland gearriveerde klassiekers, gevolgd…..jawel…..door een 240 Super Polar uit 1991 van François en José Everaerts. De planning om deel te nemen met hun Volvo P1800 viel kort voor de keuring in het water door grote problemen aan de motor van hun fraaie coupé. Toch leuk dat onze 240 een naamgenoot heeft om samen de reis te gaan maken. De eerder verzonden mail van de organisatie met daarin de mededeling dat deze keuring niet bedoeld is om te bepalen wat er nog gedaan moet worden voor aanvang van de reis is blijkbaar niet bij iedereen duidelijk overgekomen. Die dag krijgen 12 van de 48 deelnemende klassiekers meerdere onvoldoendes op hun rapport. De eigenaren mogen nog wat werk gaan verrichten en hopelijk vallen ze bij de herkeuring niet door de mand. Die van ons komt echter fluitend door de keuring en met onze rallyschildjes, routeboek/smoelenboek en Ierse reisgids op de achterbank kunnen we met een glimlach op ons gezicht weer huiswaarts keren. Het aftellen kan nu echt beginnen…..nog 54 nachtjes slapen!

Dag 1 – 4 juni: Etten-Leur – Hoek van Holland

Eindelijk is het dan zover, team 14 is er helemaal klaar voor. Goed voorbereid steken we om 13.00 uur de sleutel in het contactslot. We besluiten meteen al met genieten te beginnen en sturen onze Trots van Torslanda over de Zeeuwse eilanden naar Hoek van Holland. Dus niet over de A16 richting Rotterdam. Nee, lekker toeren over secundaire wegen en onderweg uitgebreid genieten op een zonnig terras in Benedensas. Rond de klok van 17.00 uur sluiten we aan in de rij op de terminal van Stena Line. We zijn ruim op tijd, evenals zeven andere teams. Door Theo Hoekstra van de organisatie en zijn vrouw Marian worden we welkom geheten. Tot het moment van inschepen sluit het ene na het andere team aan in de wachtende rij. Het is weer een bonte stoet van klassieke Volvo-modellen. Er zijn echter enkele vreemde eenden in de bijt waaronder o.a. drie klassieke cabrio’s van de merken Mercedes, Peuget en Triumph. Het overgrote deel, ruim 40 stuks, blijft echter het Zweedse merk trouw. Kort na de klok van 19.00 uur rijden we in colonne het autodek op van de Stena Britannica die al enkele uren in de Nieuwe Waterweg ligt te dobberen. We trekken de handrem stevig aan en zoeken onze hut op. Daarna slenteren we nog wat over de luxe ferry van Stena Line.  Al  gauw lopen we Martin Rooseboom en zijn vrouw Maaijke tegen het lijf. Martin en Theo zijn de drijvende krachten van de stichting Klassieke Automobiel Reizen. Onder het genot van een drankje is het even later gezellig kletsen met de meeste deelnemers op het zonnedek. Om even voor 22.00 uur gooit de bemanning de trossen los en kiest de kapitein het ruime sop. Als de zon een slaapplaatsje zoekt in het water van de Noordzee besluiten wij ook om ons bedje op te zoeken. Morgen moeten we weer erg vroeg uit de veren en kan de eerste echte etappe beginnen.

Dag 2 – 5 juni: Harwich – Gloucester

De smartphone wekt ons al vroeg met het toepasselijke melodietje; sunrise. Want als we even later door de patrijspoort naar buiten kijken spiegelt de zon al in de zee. Na een uitgebreid English breakfast kunnen we weer op zoek naar ons maatje op het autodek. De motoren die na het openen van de laaddeuren worden gestart klinken als een symfonie over het autodek. Het is een symfonie die je niet alleen kunt horen maar ook kunt ruiken. De uitlaatgassen zorgen niet echt voor een aangename geur. Gelukkig is het van korte duur en kunnen we op Engelse bodem weer frisse lucht opsnuiven. Voor ons is het weer een gevoel van ‘thuiskomen’, want Engeland staat op nummer 1 van onze favoriete vakantiebestemmingen. Zodra we de ferryterminal afrijden wordt de aspirant-linksrijder duidelijk gemaakt met grote waarschuwingsborden dat het verkeer hier aan de andere zijde van de witte streep rijdt. Dat zal voor vele deelnemers even wennen zijn. Op de eerstvolgende parkeerplaats plakken we de koplampen van onze 240 gedeeltelijk af, zoals dat hoort in landen met linksrijdend verkeer. De moderne techniek heeft dit knip- en plakwerk echter weer achterhaald, want bij onze XC60 doen we dat gewoon met onze wijsvinger door wat toetsjes op het dashboard in te drukken. Ach ja…..de tijd staat niet stil. Alhoewel…..nu even wel, want het is een uurtje vroeger aan deze kant van de plas. Lucia en ik hebben besloten om de route volgens de routebeschrijving te gaan rijden. Dus de kaarten in het routeboek gebruiken we alleen in noodgevallen. Na ruim 70 kilometer in Chelmsford is er echter al sprake van een noodgeval en vragen we onze TomTom om hulp. Als we opnieuw een poging wagen komen we al gauw tot de conclusie…..weer een noodgeval. De beschrijving in het routeboek is te summier om op het juiste pad te blijven. Dat heeft ook te maken met de vele rotondes en de drukke route die we moeten volgen. Bovendien valt zo nu en dan het water met bakken uit de lucht en is het zicht op de weg nu ook niet echt om over naar huis te schrijven. Toch houden we moed en steeds pikken we de juiste route weer op. Na een half dagje sturen hebben we twijfels of de routebeschrijving wel klopt. Als we op de Wolvercote Roundabout in Oxford de vierde afslag moeten nemen weten we het zeker; er zitten fouten in de beschrijving! We moeten de tweede afslag hebben en sturen de dikke neus van onze tank de A44 op! We laten de fraaie stad van Inspector Morse achter ons en zetten koers naar een uniek stukje Engeland; de Cotswolds. Dromerige dorpjes en kabbelende beekjes in een glooiend landschap. Dit is één van onze favoriete  bestemmingen als we naar Engeland afreizen. In Bourton-on-the-Water pakken we nog even een terrasje. Hier is ook een klein automuseum gevestigd, waar zelfs een Volvo P1800ES staat te pronken. Wij slaan een bezoek over omdat we enige jaren geleden het museum al eens bezocht hebben. We slenteren nog even door de straatjes en zetten daarna koers richting Cloucester, onze eindbestemming van vandaag. Die avond staat in het Hatherley Manor Hotel het welkomstdiner op het programma. Vanwege het mooie weer heeft de organisatie voor ons een verassing in petto; we gaan barbecuen. We nemen met veel deelnemers de route van die dag nog eens door en trekken de conclusie dat rijden volgens de routebeschrijving voor vele onbegonnen werk is. Slimme vogels hebben de route ingeladen in hun TomTom. Handig…..maar het puzzelen heeft voor ons ook zijn charmes van een klassiekerreis. Dus wij houden het de komende weken op het routeboek, de wegenatlas Groot-Brittannië & Ierland en onze beste vriend Tom en zijn naamgenoot Tom.

Dag 3 – 6 juni: Gloucester – Swansea

De zon prikt weer door het hotelraam als we de gordijnen ’s morgens openschuiven. Na het uitgebreide ontbijt laden we onze koffers weer in de ruim bemeten bagageruimte en maken ons op voor de reis naar Wales. Het eerste gedeelte van de route voert ons over de A40, zodat we in een mum van tijd enkele kilometers voor Monmouth de grens passeren. Zoevend over de vierbaansweg genieten we met de zonnebril op van het fraaie landschap. In Abergavenny is het even opletten want we moeten de A40 verlaten. Twee aaneengesloten rotondes zorgen voor een extra moeilijkheidsgraad, maar de afslag naar de A465 blijkt de juiste te zijn richting de Black Mountains. Na enkele kilometers moeten we ‘een onbekende weg’ inslaan volgens de routebeschrijving. Dat klopt inderdaad, want we kennen de weg niet! Het snelle gedeelte van de route ligt achter ons en we kruipen over smalle weggetjes door het glooiende landschap. We hoeven ons hier niet af te vragen of we links moeten rijden. Het is gewoon in het midden en maar hopen dat we geen tegenliggers tegenkomen. Zo nu en dan hebben we het idee dat we over een boerenerf heenrijden, maar blijkbaar hebben de bewoners daar geen problemen mee. Na een tijdje toeren naderen we Hay-on-Wye, een vriendelijk marktstadje op de grens van Engeland en Wales. Het is de ideale plek voor een koffiestop. We neuzen want rond in de vele tweedehands boekwinkeltjes en kletsen met veel andere teams die hier ook even halt houden. Even later vervolgen we de route door het Brecon Beacons National Park. Dit 1347 vierkante kilometer grote park nodigt uit tot schitterende wandelingen. Het prachtige berglandschap in dit deel van Wales doorkruisen met onze 240 is echter ook geen verkeerde keus. De slingerende route langs het Monmouthshire en Brecon Canal brengt ons aan het eind van de middag in een ander vriendelijk stadje; Brecon. Na de teastop willen we de parkeerschijf weer opbergen, maar wil het dashboardkastje niet meer open. De dagen ervoor viel ook steeds de houten sierstrip van het klepje af. Och ja, als dat de grootste problemen zijn mogen we niet klagen. Op de route naar Swansea houden we nog een paar keer halt om onze 240 te vereeuwigen in het schitterende landschap. Tijdens de route door de Swansea Valley lijken de lampjes van de laadstroom en defecte verlichting heel zwak te branden. Doordat de zon regelmatig een blik werpt in ons interieur houd ik het maar op een spiegeling in het dashboard. In de stad Swansea aan de zuidkust van Wales raken we nog even het spoor bijster. Toch bereiken we na een kleine omweg het aan het strand gelegen Marriott Hotel. Die avond roep ik nog even de hulp in van François, eigenaar van de andere meereizende 240. Ik heb even een voorbeeld nodig van de sluiting van het dashboardkastje. Met een oud lidmaatschapspasje van de ANWB doe ik een poging om het kastje open te krijgen. Dat valt nog niet mee, want ook dit onderdeel is Zweeds degelijk uitgevoerd. Toch kraak ik ‘de kluis’ na enige tijd. Er breekt slechts een klein stukje uit de bovenbekleding achter de vergrendeling, dus de schade valt mee. Het slotje blijkt niet te repareren dus opnieuw grijp ik in de gereedschapstas voor een oud lidmaatschapspasje. Nadat het vergrendelpinnetje met tape is afgeplakt zorgen de dubbel gevouwen passen van de ANWB links en rechts dat de klep niet steeds openvalt. Als Lucia op haar hotelkamer een boek gaat lezen ga ik nog even met een voltmeter aan de slag. De twee lampjes die ’s middags zwak leken te branden met een draaiende motor blijken inderdaad te branden. Het display van de voltmeter geeft slechts 11.87 volt aan en dat is geen goed teken. Het is ondertussen al wat later op te avond dus Hans of Dick van het technisch team nog optrommelen heeft geen zin. Morgen de heren meteen maar aanklampen tijdens het ontbijt.

Dag 4 – 7 juni: Swansea – Rosslare

Wederom kunnen we genieten van een blauwe hemel als we ’s morgens vanuit onze hotelkamer op zee kijken. Het is genieten met een kleine ‘G’, want ik maak me toch enige zorgen. Deze dag gaan we de oversteek maken naar Ierland en onze 240 voelt zich niet helemaal kiplekker, dus wat gaat de dag ons brengen? Na het ontbijt gaat Hans aan de slag met een lekkende brandstofleiding van een Duett en Dick duikt onder de bordeauxrode motorkap van onze patiënt. De conclusie is dat het ook wel eens een massaprobleem zou kunnen zijn, omdat het zwak oplichten van beide lampjes daar op zou kunnen duiden. Dat is zoeken naar een speld in een Zweedse hooiberg en daar hebben we de tijd niet voor omdat de ferry naar Ierland die middag in de haven van Fishguard ligt te wachten. Voor alle zekerheid worden de V-snaren nog wat strakker gezet en gaan we daarna op weg. Met het telefoonnummer van het technisch team bij de hand beginnen we aan de 118 kilometer lange route die ons naar de ferryhaven moet brengen. Zodra we na twintig minuten de M4 oprijden gaat plots het lampje van de airbag fel branden. Waarschijnlijk dus toch een massaprobleem is mijn gedachte. Ik ben al blij dat het  laadstroomlampje niet fel oplicht. Even later doet ook het ABS-lampje vrolijk mee. Met 2 fel brandende rode lampjes op het dashboard geef ik nog maar eens een spuit gas. Massaprobleem? Storing in de airbag? Geen ABS meer? Het zal ons een zorg zijn, we rijden en dat is het belangrijkste vandaag! We zoeven lekker in westelijke richting over de glooiende M4 en houden de moed erin. Het zoeven gaat echter na enkele kilometers over in sputteren. Het wat dieper intrappen van het gaspedaal zorgt echter niet voor een positief resultaat. De snelheid gaat gestaag omlaag en we verruilen de linkerbaan voor de vluchtstrook. Even later slaat de motor af en is het gedaan met de pret. Nee hé, niet nu! Hij heeft ons nog nooit in de steek gelaten….waarom op deze dag op weg naar Ierland? Nadat de veiligheidsvesten zijn aangetrokken en de  gevarendriehoek is geplaatst vraag ik de heren van het technisch team telefonisch om hulp. Na korte tijd hebben we gezelschap van een Volvo V70 op de vluchtstrook. Gedrieën staan we bedenkelijk onder de motorkap te staren. Wat nu? Hans besluit om nog maar eens de contactsleutel om te draaien……warempel hij loopt weer! Gaan met die banaan is de conclusie en met de V70 in mijn binnenspiegel zetten we het boeltje weer in gang. Het is echter van korte duur want na enige kilometers zoeken we beiden de vluchtstrook weer op. Dick stelt voor om ons maar op sleeptouw te nemen. Aardig aangeboden maar dat lost ons probleem nog niet op. Ik stel voor dat we de ANWB maar in gaan schakelen. Bovendien moeten de heren ook nog ruim 100 kilometer naar de ferry en de andere deelnemers willen misschien ook nog gebruik maken van hun hulp onderweg. Zo gezegd, zo gedaan en we nemen afscheid van de heren en de partner van Hans. Hans heeft zijn vriendin mee op ‘sleeptouw’ genomen en houdt de heren gedurende deze reis gezelschap. Het wachten is dan begonnen en zijn we gedurende anderhalf uur bermtoeristen. Daarna rijdt onze 240 weer….alleen staat hij wel bovenop de truck van Millbrook Recovery Service. De uiterst vriendelijk chauffeur brengt ons hortend en stotend naar een garage in Swansea. We nemen plaats in de wachtruimte en hopen we dat het euvel snel verholpen is. Als na twintig minuten de monteur voor onze neus staat zien we aan zijn gezicht dat het niet oké is. ‘The alternator is broken’,  aldus de eveneens uiterst vriendelijke Welshman. Alternator? Dat blijkt dus de dynamo volgens enige uitleg. ‘Two  or three days’, vervolgt hij daarna. Onze eindbestemming Rosslare vandaag kunnen we dus echt wel vergeten. Op dat moment ‘rinkelt’ mijn GSM en hebben we een dame van de ANWB alarmcentrale aan de lijn. Het regelen kan dus meteen beginnen en na een half uur zitten we op een zomerse zondag in een taxi naar het centrum van Swansea. Daar heeft de receptioniste van de garage een hotel voor ons geboekt en moeten we de komende dagen maar door zien te komen. En nu maar hopen dat de monteur de klus in ‘two days’ kan klaren. Die onzekerheid zorgt niet echt voor een vrolijk vakantiegevoel. Als wij op maandagavond in een tot pub/restaurant verbouwd oud bankkantoor de reclame van de nieuwe Volvo XC90  op de vele platte tv-schermen voorbij zien komen, geeft ons dat weer moed. De slogan ‘A  NEW BEGINNING’ geldt ook voor ons, dat is tenminste ons idee, en we hebben er alle vertrouwen in dat we morgen weer door kunnen reizen.

Dag 6 – 9 juni: Swansea – Fishguard

’S morgens om 10.00 uur deelt de ANWB ons telefonisch mede dat de dynamo helaas nog niet binnen is. De spanning stijgt en de ANWB belooft ons contact te houden met de garage. Om 13.00 uur krijgen we dan toch eindelijk een verlossend telefoontje. Het onderdeel is binnen en volgens de garage staat de 240 om 16.00 uur weer startklaar. Onze mondhoeken krullen weer naar boven en de glimlach keert terug op ons gezicht. Theo van de organisatie wordt meteen ingelicht en Pepijn van Buro Scanbrit, die ons ook vergezeld tijdens de reis, zorgt vanuit Ierland dat de tickets van de ferry voor ons  worden omgeboekt. Perfect geregeld! De middagboot kunnen we helaas niet meer halen maar een plaatsje op de nachtboot met vertrek om 02.30 uur wordt voor ons gereserveerd. We vullen onze koffers en regelen een taxi naar de garage. Als we even later beiden weer plaatsnemen in de heerlijke fauteuils en ik start de auto kan ons geluk niet op! Geen zwak oplichtende lampjes, maar alleen een fel brandend groen lampje van de ‘verlichting aan’. Alles oké dus……rijden maar; A NEW BEGINNING! We hebben ruim de tijd, dus de route van afgelopen zondag pakken we weer op en zetten koers naar Fishguard. De route voert ons door het schitterende Pembrokeshire. Na de wat bredere wegen volgen de single track roads. In de avonduren is het hier heerlijk relaxed toeren met het ondergaande zonnetje over de glooiende heuvels. Na een tijdje voelt onze 240 nattigheid. We staan met de voorwielen in een ford, een doorwaadbare plaats, omdat een brug ontbreekt. Als anglofielen hebben we er al vele genomen in ons leven, maar deze is dieper dan we gewend zijn. Lucia vertrouwt het niet maar Frankie geeft een spuit gas en als de Vliegende Hollander uit de Efteling banen we ons een weg naar de andere zijde. Meteen komen de vaareigenschappen van onze Zweed boven water drijven. Onze tank heeft ook wat DNA meegekregen van de mammoettanker, dus geen centje pijn. No penny pain dus hier in Wales. Nadat de boel weer is droog gereden hebben we Theo ‘aan de lijn’ hangen met de mededeling dat de tickets zijn omgeboekt. Als ik hem mededeel dat wij weer volop aan het genieten zijn en zojuist het ford hebben genomen moet ik de GSM even iets verder van mijn linkeroor af houden. ‘Nee nee, niet door het water, niet door het water’, klinkt het met verheven stem aan de andere zijde. Te laat natuurlijk, wij hebben de overtocht al gemaakt. Blijkbaar is er een deelnemer afgelopen zondag gestrand middenin de rivier en heeft de organisatie daarna besloten om de route om te leiden. Na ons telefoongesprek koersen we rustig verder richting de haven van Fishguard. In het leuke dorpje Newport, fraai gelegen in het Prembrokeshire Coast National Park, eten we nog een hapje in een gezellige pub. Als we laat in de avond aankomen bij de Stena Line terminal zetten we de fauteuils in de slaapstand en dutten we nog wat in. Om 01.00 uur begint het inschepen en genieten daarna van een korte nachtrust tijdens de route over de Ierse zee. Ireland, here we come!

Dag 7 – 10 juni: Rosslare – Sneem

Als we ’s morgens om 6.30 uur na een overtocht van 4 uurtjes de ferry afrijden hebben we de N25 helemaal voor onszelf. De rust op de brede tweebaansweg is een verademing. De etappe van Rosslare naar Cork die voor afgelopen maandag in het routeboek stond laten we even voor wat het is. We ‘vliegen’ zo snel mogelijk met een vaartje van 100 km/u, wat hier is toegestaan, naar Cork. Vanuit deze stad aan de zuidkust van Ierland vertrekken de teams vandaag na een rustdag weer voor de volgende etappe van 280 kilometer. Ondanks de snelheid waarmee het landschap aan ons voorbij trekt is het genieten met volle teugen. Halverwege de route plannen we een koffiestop. Als we nippen aan onze kop koffie bewondert een Ier onze 240 die voor de deur van het restaurant geparkeerd staat. Vanuit alle hoeken wordt de Zweed door hem nauwkeurig bekeken. Aan zijn gezicht en gebaren zien we dat fraaie 240-ers niet vaak worden aangetroffen in het wild. We vervolgen daarna de route richting Cork en concluderen dat het landschap alsmaar fraaier wordt. Vooral het gedeelte ten zuiden van de Monavullagh Mountains bezorgt ons mooie vergezichten. Even later scheert de weg zo nu en dan vlak langs de Keltische Zee, zoals het deel van de Atlantische oceaan hier genoemd wordt.  Als we na ruim 3 uur en met 200 km meer op de teller Cork binnenrijden gooien we onze tank nog even vol met unleaded petrol. Op dat moment zien we een Katterug en Amazon voorbij schuiven en trekken we de conclusie dat we weer op het juiste spoor zitten! Het routeboek kan weer op schoot bij Lucia en we kunnen weer gaan puzzelen. De route voert ons door een  glooiend landschap richting de Bantry Bay, een van de vele baaien aan de zuidwestkust van Ierland. De route na het plaatsje Bantry wordt alsmaar fraaier en hier zien we ook weer meerdere teams die even halt houden om van de uitzichten te genieten. Maar echt leuk wordt het pas als we onze ruim 1305 kg wegende reisgenoot in Adrigole de Healy Pass opsturen. Dit is een van de vele hoogtepunten van deze reis en via meerdere  haarspeldbochten klimmen we naar de pashoogte van 300 meter. De vaak in nevelen gehulde pas maakt voor de Stichting KAR vandaag een uitzondering en zodoende kunnen alle deelnemers genieten van spectaculaire vergezichten over het Beare schiereiland en de kustlijn. Het is genieten, ook omdat we door veel teams weer hartverwarmend worden ontvangen na onze afwezigheid van enkele dagen. Als we de afdaling inzetten blijven de vergezichten adembenemend. In het stadje Kenmare gaan we een lus maken door het Killarney National Park. Het park met zijn schitterende meren zorgt wederom voor een spectaculaire route. Na een lange dag toeren, in ons geval bijna 500 kilometer, is het weer gezellig kletsen met veel deelnemers op het  terras van het schitterend gelegen hotel in Sneem.

Dag 8 – 11 juni: Sneem – Limerick

Vandaag staat de Ring of Kerry op het programma. Als we vertrekken moeten we weer even wennen aan het weer. Nadat we de afgelopen week overgoten zijn met alle dagen zonneschijn hangen nu donkere wolken boven een van de meest spectaculaire autoroutes van Ierland. Bovendien is het wegdek nu niet echt van hoogstaande kwaliteit, maar onze trouwe maat hobbelt vrolijk verder en we genieten van de kustlijn met zijn adembenemende panorama’s. Na de Ring of Kerry zetten we koers naar het schiereiland Dingle. Na een klein half uur bereiken we Inch Beach. Hier maken we nog even een ritje over het gigantische strand….een onvergetelijke ervaring. Na een half dagje toeren strekken we de benen in het drukke vissersplaatsje Dingle.

Dat wij niet de enige zijn die hier de toerist uithangen blijkt wel uit het hoog klassieke Volvogehalte in deze plaats. De vele dagjesmensen die het stadje bezoeken komen vaak voor Fungi, de dolfijn die voor de kust voor het eerst is 1983 is gesignaleerd. Blijkbaar heeft hij het goed naar zijn zin in de Dingle Bay, want ook na ruim 30 jaar is hij nog steeds te bewonderen. Een andere attractie van Dingle is de Connor Pass, die uiteraard vandaag in onze route is opgenomen. Als we de klim naar de 456 meter hoge pas maken mogen de ruitenwissers na een weekje rust hun werk weer doen. Gelukkig is het zicht op de omliggende bergen er niet minder om en ook één van de hoogste bergen van Ierland, de Brandon Mountain (951 meter), verschuilt zich niet achter donkere wolken. Als we de afdaling inzetten klaart het weer op en zetten koers naar Tralee. Daar is het even puzzelen geblazen om de juiste route te kiezen die ons door de Glanaruddery Mountains voert. Al gauw zitten we op het juiste spoor en achter team 31 doorkruisen we het gebied wat ontsiert wordt door talloze windmolens. Als we onze eindbestemming naderen wordt het landschap steeds vlakker. In het drukke Limerick gaan we op zoek naar ons hotel waar we twee nachten verblijven. Op de rustdag van morgen kunnen we de stad bezoeken vanuit het zeer luxe Absolute Hotel waar we nog eens extra in de watten worden gelegd dankzij een luxe suite en een gezamenlijk diner voor alle deelnemers.

Dag 10 – 13 juni: Limerick – Galway

Als we ’s morgens wegrijden hebben we volop bekijks van ‘people on the street’. Het is waarschijnlijk geen alledaags verschijnsel dat er een stoet met klassiekers door de stad rijdt.  De route voert ons langs de stad Shannon en de gelijknamige luchthaven. Toeristisch niet echt interessant, maar de luchthaven staat wel in de geschiedenisboeken i.v.m. de eerste luchthaven ter wereld met taxfreewinkels! Na Clarecastle krijgt de route weer een landelijk karakter. We volgen de R476 die ons langs de monding van de Shannon voert. Met een lengte van 380 kilometer de langste rivier van Ierland. In het vriendelijke plaatsje Kilrush brengen we een bezoek aan de plaatselijk bakker en smullen we van een overheerlijk broodje. Na Kilrush buigen we in noordwestelijke richting en belanden aan de schitterende Ierse westkust. De route, met soms fraaie uitzichten over de oceaan en de bergen in het binnenland, zorgt weer voor onvergetelijke kilometers. Na ruim 160 kilometer bereiken we één van de meest bekende toeristenattracties van Ierland; de Cliffs of Moher. Indrukwekkende en majestueuze rotswanden rijzen 200 meter loodrecht uit de Noord Atlantische Oceaan omhoog. Deze attractie zorgt voor een ongekend aantal bezoekers waar je niet vrolijk van wordt. Het rustige Ierland uit de reisgidsen is hier ver te zoeken. Na een wandeling over de kliffen kunnen we weer een topattractie afstrepen op ons lijstje. We vervolgen onze route langs de westkust en bereiken na enige tijd het piepkleine vissersplaatsje Doolin, dat een grote reputatie heeft op het gebied van de traditionele muziek.  Als we verder noordwaarts rijden komen we in een indrukwekkend gebied terecht; The Burren. Dit 260 vierkante kilometer kartslandschap doet je denken aan een maanlandschap. De route wordt er alleen maar spectaculairder op als we ook nog de toppen van de woeste bergwereld van Connemare waarnemen aan de overzijde van de Galway Bay. Had je nog geen kippenvel, dan krijg je het hier wel. Maar Connemara gaan we morgen verkennen, we gaan eerst ons hotel opzoeken in Galway. Het hotel ligt op enkele minuten loopafstand van het centrum, waar we die avond ondergedompeld worden in de sfeervolle Ierse gezelligheid. Bovendien spotten we ook nog een nieuwe Volvo XC90 in het centrum. Als ik in gesprek raak met de bestuurder, blijkt het de Volvo dealer van Galway te zijn. Brian Kenny nodigt mij uit om plaats te nemen op de passagiersstoel en we kletsen daarna uitgebreid over new and old Volvo’s.

Dag 11 – 14 juni: Galway – Sligo

Na het bestuderen van het routeboek zou vandaag wel eens de ‘Tocht der Tochten’ kunnen zijn. We gaan het schitterende gebied van Connemara doorkruisen. Het dunbevolkte en bergachtige gebied met zijn vele hoogveengebieden en meren is Ierland op zijn mooist. Michael Sardou heeft er een van zijn grootste hits aan te danken; ‘Les lacs du Connemara’. Steevast te vinden in de top 2000 aan het einde van het jaar. Als we vertrekken kan het genieten meteen beginnen. De route voert ons over de noordoevers van de Galway Bay met aan de overzijde The Burren, waar we gisteren ons hart al op konden halen. Als de weg naar het noorden afbuigt komen we in een indrukwekkend landschap terecht. Als we op de slingerende N59 ook nog François en José in het vizier krijgen is het echt genieten. De combinatie van bergen, meren en de kont van hun zilvergrijze 240 Super Polar zorgen voor aangename kilometers! In Cilfden pakken we ook de Sky Road nog even mee. Niet in het routeboek opgenomen, maar het is een smalle kustweg waar je ‘U’ tegen zegt. Onze 240 lust er wel pap van en wij smullen vrolijk mee. Na de lus van ruim 15 km pakken we de route weer op richting het westen. We rijden het Connemara National Park binnen en strekken de benen nog even in de omgeving van het majestueuze Kylemore Abbey. Na de stop lijkt er nog geen einde te komen aan de fraaie route, ook niet als we Connemara weer hebben verlaten. Bovendien is enige stuurmanskunst op de route ten noorden van Newport wel vereist als we de weg zigzaggend door de schapen vervolgen. In Ballina is het dan toch echt voorbij, want de route richting ons hotel in Sligo is er weer eentje van dertien in een dozijn ondanks het glooiende landschap. Het Sligo Park Hotel is vergeleken met de eerdere hotels lichtelijk gedateerd, maar we slapen er niet minder om.

Dag 12 – 15 juni: Sligo – Donegal

We schuiven onze koffers weer in onze Estate en gaan het uiterste noordwesten van Ierland verkennen. De route volgt, zoals vaak de afgelopen dagen,  grote delen van de Wild Atlantic Way. Volgens zeggen een van de mooiste roadtrips van Europa. Wij kunnen dat alleen maar beamen. Het graafschap Donegal waar we doorheen rijden heeft het hoogste percentage Gaelic-sprekende inwoners. Hier is Gaelic de eerste taal en niet het Engels. Na het Tweed-plaatsje Donegal wijken veel teams af van de route om de Slieve League Cliffs te gaan aanschouwen. Wij besluiten om de weg te vervolgen wat na het plaatsje Ardara niet meevalt vanwege een aangekondigde wegafsluiting. Na overleg met de wegwerker mogen we toch door omdat de route volgens het routeboek vlak na de afsluiting een kronkelige zijweg inslaat. In het stadje Dunglow gaan we vreemd. Na het braaf volgen van de route van de afgelopen dagen besluiten we om dwars door het Glenvaegh Nationaal Park te rijden. De aanlooproute voert ons over stille wegen die aan beide zijden bezaait liggen met talloze rotsblokken. Evenals de andere parken kunnen we hier weer genieten van de ongerepte natuur. Als we de doorsteek door het park gemaakt hebben komen we weer terug op de oorspronkelijke route. In het stadje Letterkenny is het gedaan met de rust en slalommen door het drukke centrum. Het laatste deel van vandaag voert ons over de snelle en fraaie N15 richting Donegal. Aan het schitterend gelegen meer Loughe Eske heeft de organisatie een verassing voor ons in petto; het vorstelijke Lough Eske Castle, a Solis Hotel & Spa. Onze mond valt open van verbazing als het voormalige kasteel na de lange oprijlaan voor ons opdoemt. Alleen jammer dat we hier maar één nachtje verblijven.

Dag 13 – 16 juni: Donegal – Belfast

Het motregent als we ’s morgens door het raam naar buiten kijken. Iets wat we nog niet eerder mee hebben gemaakt tijdens deze reis. Het mag de pret niet drukken want we genieten nog volop van onze luxe suite en het meest uitgebreide ontbijt van het westelijk halfrond. Rond de klok van half tien draaien we de autosleutel weer om en gaan we op weg naar Belfast. Evenals gisteren pakken we weer de N15, maar nu  in tegenovergestelde richting naar het noordoosten. Het is jammer dat de bergen zich verschuilen achter donkere wolken. Toch is het maar van korte duur, want als we de grens met Noord-Ierland passeren klaart het al weer op. Even hebben we de indruk dat de maximum snelheid volgens de verkeersborden aanzienlijk omlaag gaat. Maar nee hoor, kilometers maken hier weer plaats voor miles. Opletten dus en gas geven! Even later doorkruisen we Derry-Londonderry. Gelukkig is hier de rust in 1998 teruggekeerd na een langdurige strijd tussen de katholieken en protestanten. In Couleraine gaan we de Noord-Ierse kust opzoeken. We kunnen geen genoeg krijgen van deze fraaie kustwegen. Al gauw bereiken we de wereldberoemde Giant’s Causeway. De zeskantige basaltblokken ontstonden miljoenen jaren geleden na een vulkaanuitbarsting. De wandeling er naar toe is al een attractie op zich, maar een wandeling over de ‘Dam van de Reus’ mag gerust een topattractie genoemd worden. Als we daarna ook nog over de kliffen teruglopen kunnen we nog genieten van een adembenemend uitzicht. Ook de 15 kilometer verderop gelegen touwbrug van Carrick-a-Rede is een toeristenattractie van de eerste orde. In Ballycastle zien we in het routeboek dat we weer zuidwaarts het binnenland in worden gestuurd. We hebben zo onze bedenkingen om deze snelle route richting Belfast te kiezen. Maar na een uitgebreide studie van het routeboek willen Martin en Theo de teams waarschijnlijk over het historische Dundrod Street Circuit laten ‘scheuren’. Wij kiezen voor de groene lijntjes langs de wegen zoals ze staan aangegeven in de Michelin wegenatlas. We hebben hier we geen spijt van. De route ligt ingeklemd tussen de Antrim Mountains en de Antrim Coast met aan de overzijde Schotland. Leuke vissersdorpjes zorgen steeds weer voor een onderbreking langs deze schitterende kustlijn. Regelmatig worden we gewaarschuwd door borden voor vallend gesteente. Mochten we dan een klap op ons dak horen dan weten we in ieder geval dat het geen meeuwenpoep is. Aan het einde van de middag is het gedaan met de pret als we het drukke Belfast binnenrijden. We sluiten achter aan in de file op de M5 en sukkelen naar ons hotel in het centrum. Van het grauwe weer en auto’s van hier tot Tokio worden we niet vrolijk. Het is weer even wennen na de rust en het fraaie natuurschoon van de afgelopen weken.

Dag 14 – 17 juni: Belfast – Dublin

Dat kan er nog wel bij in deze drukke stad…..regen. Als we de stad uitrijden maken we nog even een ommetje door het Titanic Quarter, waar ooit de het legendarisch schip gebouwd is en hier te water ging. Na ruim een half uur laten we Belfast achter ons en zakken we af naar het zuiden. Na de hectiek komen we hier weer tot rust als we door de Mourne Mountains rijden. Het is maar van korte duur, want we moeten dwars door de derde grootse stad van Noord-Ierland; Newry. Na een dagje Noord-Ierland kunnen we de ponden weer opbergen als we het Ierse Dundalk binnenrijden…..alweer een stad! Onze 240 vindt dit niet leuk, maar het is niet anders. Toch komen we al gauw weer op het platteland en na enige tijd naderen we de beroemde neolithische ganggraven van Newgrange, Knowth en Dowth. De meerijdende Kattenruggen zijn dan wel oud, deze ‘paleizen van de Boyne’ zijn nog ouder dan de eerste Egyptische piramiden en 1000 jaar ouder dan Stonehenge in Engeland. Dat is pas echt oud! Door tijdgebrek nemen we alleen een kijkje in het ruim opgezette bezoekerscentrum. We zakken verder naar het zuiden en de route wordt weer spectaculairder. We maken een grote lus om Dublin en bereiken aan het eind van de middag de ‘Tuin van Ierland’; de Wicklow Mountains. Een gevarieerd landschap van bergen, valleien en meertjes. Op de pashoogte van Sally Gap waaien we bijna uit ons hemd, maar het zicht is er niet minder om. Als we de afdaling richting Dublin inzetten klaart het op en hebben we een fenomenaal uitzicht op de groene stad Dublin. Als we de stad binnenrijden verbazen we ons over de parkachtige lanen en fraaie kanaaltjes die de stad rijk is. Ook ons hotel ligt in een groene omgeving en van hieruit kunnen we morgen op de rustdag de schitterende stad gaan verkennen.

Dag 16 – 19 juni: Dublin – Bangor

Na een zonnig dagje cultuur snuiven en een gezellige Ierse avond met bijna alle teams maken we ons vandaag weer op voor twee etappes. Een korte door Dublin richting de ferry en een wat langere van 89 kilometer door Wales. Inderdaad…..we gaan Ierland vandaag weer verlaten. Na een relaxte overtocht rijden we een route langs de noordkant van het schiereiland Anglesey. Een rustige route door een glooiend landschap die ons aan het eind van de middag in Beaumaris brengt. Een vriendelijk stadje met imposant kasteel waar we bovendien uitkijken op de indrukwekkende heuvels van het Snowdonia berggebied. Het is nu nog maar een klein stukje naar de eindbestemming in Bangor. Maar voordat we naar ons hotel rijden is een bezoek aan de Volvo dealer van Llanfairpwllgwyngyllgogerychwyrndrobwllllantysiliogogogoch (heb ik het goed geschreven?) een must. Als Volvo-rijder je troetelkindje vereeuwigen voor de gevel van de garage zorgt natuurlijk voor de nodige hilariteit bij het later bekijken van de vakantiefoto’s. Deze dealer in het plaatsje met de langste plaatsnaam van Europa (en derde van de wereld) kijkt natuurlijk niet meer op als er weer een rare Hollander voor zijn garage staat. Toch heeft onze 240 aantrekkingkracht en komt hij naar buiten voor een praatje. Bovendien maakt een medewerker foto’s die volgens eigenaar Barry Baynham meteen op Facebook worden gezet. Als we afscheid nemen krijg ik nog twee fraaie stickers van de dealer in mijn handen gedrukt. Zo blij als een kind kruip ik weer achter het stuur en zetten we koers naar ons hotel in universiteitstad Bangor. Hier krijgen we een slaapplaatsje in het Management Centre Hotel, een onderdeel van de universiteit. Het hotel is een doolhof van gangen en trappen en menig team dwaalt rond om hun kamer te vinden. Een bijlage in het routeboek zou handig zijn geweest!

Dag 17 – 20 juni: Bangor – Stratford-upon-Avon

Nadat we voor de zestiende maal gesmuld hebben van een uitgebreid ontbijt gaan we er nog twee fraaie laatste dagen van maken. Het begint al meteen als we na een paar kilometer het Snowdonia National Park inrijden. Het gebied staat bekend om zijn spectaculaire berglandschappen. Alleen hebben we vandaag een probleem; de wolken hangen zo laag dat er van enig zicht op de fraaie toppen geen sprake is. Gelukkig hebben we dit National Park al vaker verkend en genieten nu maar van de slingerende wegen die dit gebied doorkruisen. De wolken en de mist zorgen wel voor een mysterieuze rit door het noorden van Wales. We vervolgen onze route in westelijke richting door een lieflijk glooiend landschap. In het op de grens van Wales en Engeland gelegen schilderachtige Montgomery smullen we van een sandwich in een knusse tearoom. Daarna doorkruisen we een vergeten stukje Engeland; de Shropshire Hills. Dat deze regio het predikaat ‘Area of Outstanding Natural Beauty’ heeft verklaart de schoonheid van dit gebied. Ook het stadje Ludlow is zeker een bezoek waard. Door gebrek aan tijd maken we alleen een ritje met ‘onze ouwe’ door het centrum van dit mooie plattelandstadje. Volgens de reisgids een van de mooiste van Engeland, daar hebben wij echter onze twijfels over. Als we de bronnenbadplaats Droitwich Spa doorkruist hebben wordt de route vlakker. We naderen onze eindbestemming van vandaag; Stratford-upon-Avon. Maar voordat we ons hotel bereiken staan we nog wel even in de file in dit wereldberoemde stadje. De geboorteplaats en plaats van overlijden van William Shakespeare trekt veel toeristen vanuit de hele wereld. Ons hotel ligt net buiten het drukke centrum zodat we het stadje nog even lopend kunnen verkennen. Ook al hebben we morgen nog een rit voor de boeg, die avond schuiven alle teams aan bij het afscheidsdiner. Na ruim twee weken toeren hebben we genoeg gesprekstof om er een gezellige avond van te maken.

Dag 18 – 21 juni: Stratford-upon-Avon – Harwich

De reis zit er helaas bijna weer op! De route van vandaag brengt ons naar de ferry in Harwich waar we de oversteek naar Nederland weer gaan maken. Na de start volgen we de landelijke route westwaarts over de A422. Het is weer even wennen aan het iets wat saaie landschap na ruim twee weken overweldigende natuur. Toch ligt er nog wel een schitterende stad op de route van vandaag; Cambridge. Deze stad is naast Oxford de belangrijkste universiteitsstad van Engeland en beroemd in de gehele wereld. Veel teams brengen vandaag nog een kort bezoek aan deze eeuwenoude stad. Wij hebben de stad enige jaren geleden al uitgebreid verkend en besluiten daarom de route te vervolgen naar het graafschap Suffolk in het uiterste oosten van Engeland. Blijkbaar zijn veel teams blijven hangen in Cambridge want in geen velden of wegen is er een klassieke Volvo te bekennen gedurende de dag. Halverwege de middag komen we weer in een schilderachtig landschap met talrijke lieflijke dorpen en gehuchten. We wijken even af van de route en strijken neer in het voor ons bekende Dedham. Dit rustieke dorpje met zijn vele oude huizen en zestiende-eeuwse wolkerk ligt midden in een fraai natuurgebied en trekt op deze zomerse zondag weer vele toeristen. Dedham is de ideale plek om nog wat uurtjes te vertoeven. Blijkbaar zijn wij niet de enige want we zien team 44 voorbij tuffen. Jan en Margreet waren evenals ons in Swansea pechvogels aan het begin van deze reis. Gelukkig hebben we beiden bijna de eindstreep gehaald en dat is reden voor een drankje op een zonnig terras. Na een hapje in een plaatselijke pub vertrekken we rond de klok van 19.00 uur richting de ferry. Slingerend over idyllische  binnendoorweggetjes bereiken we na een klein half uurtje de ferryterminal van Stena Line. Blijkbaar zijn de deelnemers van de Circuit of Ireland niet de enige die met hun klassieker de oversteek gaan maken. Veel fraaie modellen vergezellen ons in de wachtende rij. De meest unieke staat echter bovenop een tot autoambulance verbouwde saab 9000. Het blijkt de Saab 96 van de wereldberoemde Zweedse rallycoureur Erik Carlsson te zijn. De Saab waarmee hij veel overwinningen op zijn naam schreef, waaronder de rally van Monte Carlo in 1962 en 1963. Vanwege het overlijden van Erik Carlsson op 27 mei hebben ze de Saab 96 toch maar even uit het museum in Trollhättan over laten komen. Hij was de blikvanger op 20 juni tijdens de Erik Carlsson Memorial Service. Ons rallyavontuur over de eilanden ten westen van ons kikkerlandje eindigt hier in Harwich dus met een Saab-tintje. Morgen kan ons routeboek gesloten blijven en kunnen we het bij thuiskomst opbergen in de boekenkast als een fraai souvenir.

 

Schitterende routes, luxe hotels, gezellige teams en bovendien erg fraai weer, dat waren de belangrijkste ingrediënten van de Circuit of Ireland 2015. Ondanks de tegenslag i.v.m. een defecte dynamo konden we gelukkig na twee dagen de reis weer hervatten. Natuur en cultuur waren de twee sleutelwoorden tijdens deze onvergetelijke reis. De natuur werd grotendeels beleefd vanuit onze comfortabele Volvo 240. De cultuur beleven was helaas door tijdgebrek niet altijd mogelijk. De 3844 gereden kilometers slokte daarvoor te veel tijd op, maar dat was voor ons juist een feestje. Alles was weer tot in de puntjes verzorgt door Martin en Theo van de stichting Klassieke Automobiel Reizen. Reisleiders Pepijn en Jurgen van Buro Scanbrit hebben daar natuurlijk een steentje aan bijgedragen. En last but not least; Hans en Dick van het technisch team. Dankzij hun konden veel teams hun route weer veilig vervolgen na enig sleutelwerk. Kortom, het was weer een fantastische reis waar we nog vaak aan terug zullen denken. En nu maar weer uitkijken naar een volgende fraaie trip!

Frank van Gurp (team 14)

Route Circuit of Ireland

Circuit of Ireland Route-overzicht1a Circuit of Ireland Route-overzicht1b Route-overzicht05

Een rit gezien door de koplampen van een PV544 (1963)

Ik zal mij eerst even voorstellen. Ik ben een PV544 en heb samen met een chauffeur en navigator deelgenomen aan de Targa Florio van 2013.

In het algemeen leid ik een gezapig leventje en breng de meeste tijd door, samen met de ‘dagelijkse’ auto, in de garage. Soms zijn er momenten waarop je denkt ‘er gaat wat gebeuren’. Zo’n moment is een keuring in Beesd . Dat is een teken dat er weer een lange reis op stapel staat. Zo ook deze keer. Nu moest ik weer eens voor 26 dagen aan de bak.

Bij de tweede etappe merkte ik al dat er niet zoveel anders was in vergelijking met vorige ritten. Drie keer hetzelfde punt passeren gebeurde nog steeds. Er wordt wat extra’s afgereden.

Tot Rome is er niet zoveel bijzonders. De wegen zijn goed en het verkeer loopt redelijk. Zuidelijk van Rome wordt het slechter. De wegen zijn duidelijk minder onderhouden en van vuilafvoer hebben ze ook niet veel kaas gegeten.

Mijn ervaring bij Napels wil ik u niet onthouden. Door een kleine wijziging in de navigatie belandden we rond het spitsuur in het centrum van Napels. Om precies te zijn bij het Centraal Station. Een stroom van auto’s welke zich stapvoets in beide richtingen wurmt door smalle straten tussen de ‘geparkeerde’ auto’s, discussierende bestuurders en de tegemoet komende scooters en sulky’s. De straten, ter breedte van de Kalverstraat, zijn geplaveid met kinderkopjes. Dat zou niet zo erg zijn indien men bij het ophogen van de straat rekening gehouden had met de putdeksels. Tot op zekere hoogte had men dat wel. De putdeksels lagen consequent 20 cm onder straatniveau. Ik verzeker u: het zijn er heel wat.

Mocht één van u willen oefenen in chaotisch verkeer en tevens de ophangingen en schokdemping willen testen, dan kan ik een bezoek aan Napels aanbevelen. Een rit tijdens de spits om het verkeer te testen, en een rit op een ‘rustig’ uur met de maximaal toegestane snelheid. Als u als bestuurder de eerste rit aan kan en de auto de tweede dan kunt u vast overal terecht.

Bij het verlaten van de parkeergarage van hotel Vesuvio waren mijn heupen weer eens te smal ingeschat hetgeen resulteerde in een schaafwond. De pilaar ging niet opzij.

Moderne navigatie blijkt niet altijd de oplossing. Als het technisch team niet even geholpen had met een normale kaart hadden we nu nog rondjes gereden op weg naar Villa San Giovanni. Wederom drie keer langs hetzelfde punt omdat een oprit naar de autostrada geblokkeerd was.

De oversteek van de straat van Messina ging, nadat de juiste pont gevonden was, probleemloos. Weinig verandering in wegen e.d.

De Etna stond vrijmoedig zijn as de atmosfeer in te slingeren. Resultaat was dat na een regenbui alle fraai gepoetste klassiekers bedekt waren met sluier van kleiachtig geel witte as. Over vele jaren zal forensisch onderzoek nog kunnen aantonen dat een bezoek aan Sicilië gebracht is. Bij mij is het doorgedrongen in alle mogelijke hoeken, gaten en spleten. Ook op plaatsen waar de poetser niet of nauwelijks bij kan.

Dit was de eerste douche. Over de tweede en derde later.

Hoewel het ultieme doel was de route van de Targa Florio te rijden, heb ik dit niet mogen meemaken. Maar wel een bezoek aan de Vallei der Tempels en aan het Santo Spirito klooster in Agrigento. Wederom een driemaal ervaring na het kloosterbezoek.

De navigatie voerde naar een punt waar een smalle, steil naar beneden gaande weg een smalle tunnel invoerde. Een bord met een grote P en naam gaf de indruk dat dit de toegang was naar een parkeergarage. Op de schreden teruggekeerd maar eindigden driemaal op hetzelfde punt. Toen de grote stap gewaagd en de tunnel ingereden. Steil naar beneden, net breed genoeg voor een personenauto. Aan het eind een haakse bocht en daarna weer steil omhoog. Het lukte net zonder schade of extra steken. De bevrijding was aan het eind. De weg naar de eindbestemming van die dag, maar niet zonder een derde keer langs de Vallei der Tempels.

Van de oversteek naar Sardinië heb ik weinig meegemaakt. Je wordt ergens onder in het schip opgeborgen en moet dan maar afwachten.

Sardinië, een verademing qua wegen e.d. in vergelijking met de voorgaande trajecten. Toch ook hier weer driemaal langs hetzelfde punt. Na een korte stop bij een (onbemande) benzinepomp voelde ik al een koude tocht door mijn maag gaan.

Afsluitdop van de tank laten liggen en zonder tanken verder gegaan. De oplettende Amazon nr. 2 waarschuwde even: 10 kilometer terug. De dop lag er nog. Dit tot grote tevredenheid van de navigator. Kon ze nog even kijken of de uitspanning waar we de eerste keer voorbij gereden waren geschikt was voor een korte stop. Meer dan dat.

Corsica is mooi met veel slingerende wegen, hoogteverschillen en verrassende vergezichten. In vergelijking met Italië is het een aangeharkt park.

Bij de oversteek naar Toulon kreeg ik mijn tweede douche. De wind had kracht 7 en de golven werden opgestuwd tot 5 meter. De ferry terminal van L’Ile Rousse ligt aan de beschutte kant. De weg daar naar toe voerde langs een kleine baai waar de wind pal in stond en de golven opstuwde tot ze op de rotsen in een fijne nevel kapot geslagen werden, welke door de wind verder over de weg gevoerd werd. In één keer kletsnat. Zout water. Ik voelde me als de Amazon onderdelen welke van Göteborg als deklading naar Antwerpen vervoerd werden. Zeer bevorderlijk voor de roestduivel.

De derde douche was een straal warm water in een wasstraat om in ieder geval het zout af te spoelen. De klei van de Etna is hardnekkiger. Er bleef een waas.

Voor een oude dame op mijn leeftijd was deze reis een hele inspanning maar met aantrekkelijke kanten. Extra aandacht van toeterende, fluitende en fotograferende Italiaanse bewonderaars(ters).

Alles wordt meer dan regelmatig gecontroleerd, de spanning van de banden, de koelvloeistof, het oliepeil.

Heel bijzonder is dat ik af en toe over de benen gestreeld werd. Dat voelt wel goed maar diende alleen om te controleren of ik niet te heet werd. Ik heb uit opmerkingen in de cabine begrepen dat mijn chauffeur in het zwembad zich in een paar benen vergist heeft en de verkeerde streelde. Gelukkig volgde er geen uitdaging tot een duel.

Nu ben ik weer terug op mijn vertrouwde stek en wordt er druk aan mij gewassen en gepoetst. Daarna moet ik naar de dokter voor mijn hart en moeten mijn gewrichten weer voorzien worden van voldoende vet.

Klaarstomen voor de Noordkaap naar ik vernomen heb.

‘(…) noem het verkeersanarchisme, maar het went verrassend snel’

De Targa Florio (“Targa” betekent schild en “Florio” is de achternaam van de initiatiefnemer, dhr. Vincenzo Florio) was een autorace voor sportwagens die vanaf 1906 jaarlijks plaatsvond op een stratencircuit in Sicilië. De race kende verschillende circuits, steeds uitgezet over de openbare weg, variërend van 72 tot maar liefst 1000 km. Na vele dodelijke ongelukken is de race sinds 1977 niet meer gehouden. Nu rest nog een klassiekerrace, gehouden in oktober.

De route.

Het doel is dus Sicilië. De route loopt door Duitsland en Oostenrijk via Verona, naar de westkust van Italië. Na Rome rijden we langs Napels naar de punt van de laars waar we oversteken naar Sicilië. Op Sicilië rijden we de Targa Florio, en steken over met de nachtboot naar Sardinië. Via de westkust rijden we naar het noorden, waar we overvaren, naar Corsica. Na Corsica brengt een laatste boottocht ons naar het Franse vasteland. De dagafstand varieert van zo’n 250 tot 400 km, en alles bij elkaar stond onze Amazon na 6147 km’s weer in zijn garage.

Het rijden in Italië vraagt wat gewenning. Italianen nemen verkeersregels niet al te serieus, en bellen is uiteraard veel belangrijker dan autorijden. Scooters zijn overal, maar kunnen heel goed voor zich zelf zorgen. Toeteren doe je gewoon bij iedere bocht en doorgetrokken strepen zijn er alleen om aan te geven waar het midden van de weg is. Maar de Italianen zijn ook onverwacht geduldig als er weer eens een opstopping is. Noem het ’s lands wijs, ’s lands eer, noem het verkeersanarchisme, maar het went verrassend snel.

Italië, vasteland, 4 mei t/m 14 mei.

In 10 dagen vanaf huis naar het uiterste puntje van het vaste land van Italië. We rijden in twee dagen naar Feldkirch (Oostenrijk), waar we bij het welkomstdiner onze reisgenoten ontmoeten. Oude bekenden van eerdere reizen en nieuwe gezichten. De volgende dag trekken we meteen de Alpen en de Dolomieten over naar Verona. Het landschap doet eerst nog Duits/ Oostenrijks aan en plaatsnamen hebben soms een Italiaanse en een Duitstalige variant. Verona is een prachtige oude stad, waar we ’s avonds nog het balkon van Julia gevonden hebben, alwaar we een moderne Romeo treffen bij een gesloten hek en kassa. Na Verona rijden we op dag 3 door naar Pisa, over de Apennijnen. Dwars door een wintersportgebied, met als hoogste plaats Abetone op 1388 m. En daar ligt op 7 mei nog sneeuw. Voordat we in Pisa het hotel opzoeken, stoppen we nog in Lucca, een prachtige plaats waarvan het oude centrum bestaat uit een hoge vestingwal die het ronde plein met de omliggende straatjes omsluit. Vlak voor Pisa zien we in de verte inderdaad een toren wat scheef staan. “Dat zal ‘m dan wel zijn” denken we. Na Pisa rijden we op dag 4 naar Rome. Vandaag merken we toch wel de overgang naar het mediterrane karakter van het land en de mensen. Het prachtig glooiende groen van Toscane, al die bloemen en bloeiende struiken, de cipressen, genoeg om bij weg te mijmeren en te denken aan die B&B die je koopt nadat je alles in Nederland achter je gelaten hebt.

Heerlijk, maar houd er wel rekening mee dat je tussen 12 en 15 uur siësta houdt, en je dan niet moet proberen ergens LPG te tanken. Aangekomen in Rome maken we het plan voor dag 5, de dag om Rome te bezoeken. Wij kiezen ervoor om niet mee te doen met de excursies, maar om op eigen gelegenheid door de Joodse wijk van Rome te slenteren. En dat is geweldig gelukt. Een heerlijke dag hebben we gehad. En dat we niet alle hoogtepunten hebben gezien nemen we op de koop toe. We hebben een mooie indruk gekregen en hebben genoeg ideeën opgedaan voor later. Op dag 6 gaat de route van Rome met een wijde boog om Napels, naar Sorrento aan de zuidkant van de golf van Napels. Na de eerste 100 km bereiken we de westkust, die we tot vlak voor Napels volgen. En dat is feest! Het toeristenseizoen is nog niet begonnen, alles ademt een heerlijk ontspannen sfeer. Maar dan Napels, dat is een heel aparte ervaring. De weg is ronduit slecht, maar dat is niet het ergste. Je ziet ook ineens wat je al in de krant hebt gelezen: het opgestapelde vuilnis langs de kant weg, bij parkeerplaatsen en op verlaten veldjes. Wij rijden er snel langs, maar wat moet dat vreselijk zijn voor de mensen die hier leven. In Sorrento, de tweede rustdag (dag 7), maken we optimaal gebruik van het prachtige hotel en ons balkon dat uitzicht biedt op Napels, de zee en de Vesuvius.

We nemen de tijd om het eens goed te bekijken.’s Avonds slenteren we wat door Sorrento en zien nog een trouwpartij bij de kerk. Wat een mooie mensen allemaal, die kunnen zo in een glossy magazine. En daar staan wij dan naast, in onze ANWB-Human-Nature-streepjes-shirts-en-korte-broeken.

Van Sorrento gaat het op dag 8 naar Amantea, een kustplaats in de voet van de laars en de laatste rustdag op het vaste land. Het begin van de dag volgen we de Amalfikust, terecht beroemd om zijn vergezichten en de vakantiehuizen van de celebrities. Prachtig!

Lang rijden we achter een zuchtende scooter van een (wat corpulent) stel, hij rijdt, zij zit achterop. En ondanks het roken en al het gebel zie je dat ook zij diep onder de indruk zijn. Na Amalfi, waar we het toilet met het mooiste uitzicht vinden in een strandtentje, rijden we eerst door een stuk binnenland, maar weldra weer over de kustweg naar onze overnachtingplaats in Amantea. Wij hebben het geluk dat we een huisje hebben direct aan zee.

Het gebulder van de Middellandse Zee en het uitzicht zijn enorm rustgevend. Dag 9, een rustdag, is echt een was- en sleuteldag, Overal staan wasrekjes en lopen mannen in overalls.

De eilanden, Sicilië, Sardinië en Corsica, 14 t/m 25 mei.

De oversteek van het vasteland naar Messina op Sicilië op dag 10 verloopt heel goed. Zo snel mogelijk rijden we Messina uit naar de kustweg richting Catania, waar we een rustdag (dag 11) hebben. De eerste indruk die we van Sicilië krijgen is dat het schoner en vriendelijker is dan het laatste stukje zuid Italië. We zien weer bloemen en bloeiende struiken langs de weg en aardige dorpjes waar de route ons doorheen leidt. Op de rustdag hadden we een excursie kunnen maken naar de Etna, maar u kent ons ondertussen wellicht….! Op dag 12 rijden we door het binnenland naar Caltanisetta, midden op Sicilië. De dag begint bewolkt en al snel volgen de druppels. Die druppels hebben zich gemengd met een gelige substantie (Etna as?), en dat bij elkaar zorgt ervoor dat de auto onder een matte laag modder komt te zitten.

Onderweg wordt het weer slechter. En omdat we ook omhoog gaan, rijden we op een gegeven moment door de wolken, of mist. Best wel mysterieus wordt het dan, zeker als je verdwaalt in een van die dorpjes. Maar we redden ons er uit en ook het weer knapt op. We stoppen bij Villa Romana del Casale, een opgraving van een Romeinse villa met badhuis. De mozaïeken waarmee de vloeren destijds zijn ingelegd, zijn grotendeels bewaard gebleven. In één ruimte waren allerlei wilde dieren uitgebeeld. Prachtig, en dan te bedenken dat de vaklieden die dit gemaakt hebben mogelijk nooit wilde beesten hadden gezien, want geen tv, dierentuin enz. Dag 13 is de grote dag en naamgever van deze reis. Het weer is gelukkig opgeknapt: zonnig, geen mist of regen en met de belofte van een warme mediterrane dag. Even buiten Caltavuturo komen we op de route van de Targa Florio.

Er zijn geen aanwijzingen dat er hier ooit een wegrace is gehouden, of toch? We genieten in ieder geval van het uitzicht en van het idee dat hier ooit coureurs met de mooiste racewagens tot het uiterste gingen voor het hoogste plekje op het podium. Na een tijdje komen we in Collesano, een pittoreske plaats op de route. En daar leeft de Targa Florio zeker wel. In het stadhuis is een museum ingericht en in het dorp herinneren tegeltableaus aan tijden van weleer. Maar we moeten verder, naar Agrigento aan de zuidkust en dus nemen we afscheid van het Targa Florio circuit. Op dag 14 verlaten we Sicilië met een oversteek naar Sardinië. We moeten uiterlijk om 15 uur in de haven zijn voor het inschepen. We vertrekken daarom lekker vroeg om zeker op tijd te zijn. En dat lukt; drie uur te vroeg rijden we Palermo binnen via de oostelijke kustweg. Maar het pakt goed uit. De laatste km’s zijn een aaneenschakeling van restaurants met zeezicht. We stoppen bij een visrestaurant en eten een voortreffelijke lunch: pasta met kreeft. Geweldig! Keurig op tijd rijden we de kade op en zien een gestaag groeiende rij wachtende klassieke Volvo’s aangevuld met wat ander (klassiek) spul zoals een open Peugeot 504, een Alfa Spider, Een Citroen SM, een Fiat Dino 2400, een Fiat Barchetta, de V70 van het technisch team en de altijd vrolijk ogende rode V40 van het reisbureau. Allemaal op tijd voor de nachtboot naar Sardinië.

Dag 15 begint dus op de boot. Al vroeg meren we aan in Cagliari en beginnen aan een prachtige tocht, grotendeels langs de kust van Sardinië.

Sardinië is heel anders dan Sicilië. Wat glooiender, groener ook en de wegen zijn meestal beter. Maar niet altijd, want op deze eerste route moeten we een heuse, zeker niet droge, rivierbedding (oké, 20 cm water, maar toch…) oversteken. We doen dat wat weifelachtig in navolging van een zwart Italiaans Fiatje. Die zullen het wel weten, niet waar? Aan de overkant ontdekken we dat het een huurauto is, met twee Belgische meiden op vakantie. Die het net als wij heel stoer vinden allemaal. Zo zie je maar, niet alles is wat het lijkt. Dag 16 is een rustdag in Oristano, waar we onze trouwe Amazon trakteren op een wasbeurt. Hé, hij glimt weer! Dag 17 heeft een leuke ontmoeting voor ons in petto. Op Sardinië is het in sommige dorpen gebruikelijk om de muren van huizen te beschilderen met taferelen.

Het om die reden bekendste dorp is Tinnura, en omdat dat redelijk aan de route ligt willen we daar naartoe. Maar eerst maken we nog een koffiestop, waar we in gesprek raken met een gepensioneerd stel. De man is een Italiaan met een Nederlands arbeidsverleden. Met zijn Nederlandse vrouw woont hij in de zomermaanden op Sardinië. We maken ook nog kennis met de barman, zijn vrouw en dochter, en een nichtje van het Italiaans/Hollandse stel. En wat blijkt: ook dit plaatsje heeft die muurschilderingen! De vrouw leidt ons rond, toont ons de schilderingen en legt ook uit wat we zien. Kijk, zegt ze, dat is de dochter van de barman, dat is ons nichtje en die oude vrouw op die ezel; dat was de onderwijzeres, een echt kreng. Dit soort ontmoetingen zijn toch onbetaalbaar? We nemen afscheid en besluiten Tinnura links te laten liggen -mooier kan het wat ons betreft niet worden- en rijden door naar de grot van Neptunus aan de punt van een schiereiland. De 650 treden omlaag (en daarna weer omhoog) zijn het waard: een prachtige blik op de Middellandse zee en een kijkje in de grotwoning van de God van de zee. Op dag 18 is ons tijdelijke Italiaanse leven alweer voorbij. We steken over met de ferry naar Corsica en zwaaien als dank en afscheid nog een keer naar het gastvrije en mooie Italië.

We komen aan in Bonifacio, een toeristische havenplaats. Op dag 19 rijden we naar Porto waar we de laatste rustdag (dag 20) hebben. Porto is een prachtige plaats, maar de route langs de kust er naartoe is zo mogelijk nog mooier. Rode rotsen rijzen op uit de zee, en door (en over) die rotsen is een slingerende weg aangelegd. Met het warme strijklicht van de middagzon erop geeft dat een adembenemende aanblik. Op dag 21 zeggen we het eilandleven vaarwel en steken over met de avondboot naar Toulon. Een storm en een ruwe zee zorgen ervoor dat we te laat vertrekken en veel te laat aankomen.

Maar het gewaarschuwde hotel heeft op ons gewacht en om half vier ’s nachts is de hele club weer compleet en in diepe rust.

Terugreis.

’s Nachts had ik al bedacht dat we de route van dag 22 konden laten zitten en dus rijden we –snelweg mijdend, rechtstreeks naar ons laatste hotel in Avignon. Dus rustig aan, goed voor jezelf zorgen, en voor de auto, die een Franse wasbeurt krijgt om de zoute aanslag van de storm op Corsica eraf te wassen.

Wielink17

Na al die bijna probleemloze km’s heeft ‘ie dat wel verdiend. In het hotel in Avignon hebben we een heerlijke relaxte middag aan het zwembad, samen met andere reisgenoten die ook de route over de Mont Ventoux niet gedaan hebben. ’s Avonds  is het afscheidsdiner. Jammer dat het alweer zover is, maar we kijken terug op een prachtige reis. Fijne mensen, fantastische organisatie, een zeer behulpzaam, deskundig en inventief technisch team en een formidabele routeman.

Tja, en dan moet je terug, nog even 1100 km’s. Wij krijgen te maken met malheur aan de ontsteking (denken we) en carburatie (feit, na 500 km ontdekt) en we ontmoeten ook nog het gestrande team 3. Op zoek naar een kruiskoppeling, net zo één als het reserve exemplaar dat zij eerder hadden uitgeleend. Maar ook zij komen rijdend thuis, dankzij een gelukkige greep van de Depannage.

En zien we, bijna thuis, langs de A2 op het parkeerterrein van Volvo Nederland in Beesd, de door zeezout mat uitgeslagen rode V40 van het reisbureau? Dat zou best eens kunnen, dus voor de zekerheid zwaaien we nog een keer, CIAO!

Dank!

Aan allen die deze reis mogelijk maakten:

  • De stichting KAR: Martin, Theo en Klaas, dank voor jullie initiatieven, de routes en de organisatie.
  • Het technisch team: Ronald, Richard en Yvonne, zonder jullie waren we er nooit gekomen.
  • De altijd zorgzame Pepijn, later opgevolgd door de niet minder behulpzame Roos van reisbureau ScanBrit.
  • En natuurlijk al onze reisgenoten, het was echt een fantastische ervaring!

Marieke Rhebergen, Erik Wielink en hun rode Amazon, ook wel team 29.

Foto-impressies

Fotobijdrage van Erwin en Lydia Palmers (team 18)

Fotobijdrage van Wilfred en Karin (en Joep) Scherpenzeel (team 22)

Fotobijdrage van Martin en Maaijke Rooseboom (team 21)

Fotobijdrage van Francois en Jose Everaerts (team 6)

Fotobijdrage van Klaas en Anja Veneberg (team 30)

Prachtig: het geluid van een B18-motor in de bergen

‘Tour de France’

Ik had bij vertrek het onze hoofdredacteur beloofd: ik zou wel even een verslag maken van de Monte Carlo Rally 2012. Achteraf gezien een beetje overmoedig misschien, want hoe moet je de thuisblijvers en de lezers van het Volvo Klassieker Magazine nu duidelijk maken wat wij als deelnemers aan de Rally hebben meegemaakt en gezien? Aan het eind van de rit en bij het schrijven van dit artikel komen de twijfels hieromtrent naar boven borrelen. Aan de schrijflocatie kan het niet liggen. Nog nahijgend van de geleverde inspanningen, nu heerlijk nog een week ontspannen achterover in een appartement op 400 meter van de zwoele Middelandsche Zee. De vlag dekte de lading volledig. Wat bedoel ik daarmee? Als je praat over een rally, dan hoort daar toch min of meer een moeilijkheidsgraad bij. En die was er, meer dan dat zelfs. Maar liefst 19 cols zijn er genomen door de deelnemers en daar waren flinke ‘jongens’ bij. Of zijn bergen vrouwelijk?

35 Equipes

Eerst maar even wat feitelijkheden: 35 equipes hadden zich bij de Stichting Klassieke Automobiel Reizen aangemeld voor deze Alpentocht naar het kleine maar o zo rijke staatje Monaco. De deelnemers werden vooraf door de organisatie op de hoogte gehouden door informatie op de website van de Stichting te plaatsen en daarnaast een aantal mailings te versturen.

Ruim voor de datum van vertrek werden de deelnemende voertuigen gekeurd in de opstallen van de Volvo Importeur in Beesd. Ondertussen zijn we daar al diverse malen te gast geweest. De keuringen werden weer verzorgd door een aantal TC-leden. Hierna konden de deelnemende equipes beginnen met de voorbereidingen voor deze pittige tocht. Uit gesprekken met deelnemers blijkt dan dat men dat soms totaal verschillend doet. De een gebruikt het verstrekte routeboek als leidraad, de ander voert thuis de routes tot in detail in de eigen navigatie in. Nog weer anderen zoeken op internet allerlei bijzonderheden op die we tijdens de tocht tegen zouden kunnen komen en met een bezoek vereerd kunnen worden. In die zin is er ook nu weer daadwerkelijk sprake van een chauffeur en een navigator. Ook de preparatie van de auto voor deze rally was vaak onderwerp van gesprek. Ook daarin verschillen de deelnemers. Voor een dergelijke pittige tocht, waarin veel van de Volvo zal worden gevraagd, zal de auto bij vertrek in zeer goede technische staat moeten zijn. Dit had de organisatie de deelnemers van tevoren ook laten weten.

Techniek

Zoals u misschien wel weet is uw verslaggever ook lid van de Technische Commissie van de Volvo Vereniging en ben uit die hoofde natuurlijk altijd geïnteresseerd in de techniek van de auto’s. Staat u mij daarom toe hieromtrent toch een aantal opmerkingen te maken. Let wel, het zijn een aantal opmerkingen en adviezen die van mij persoonlijk zijn en gebaseerd zijn op de technische ervaringen tijdens de verschillende reizen van de afgelopen jaren. U mag zelf bepalen of u er iets mee wilt doen.

Als je kijkt naar de APK van de auto zou ik er voorstander van zijn deze 3 maanden voor vertrek te laten plaatsvinden. Een nog geldige APK kan immers bijna 2 jaar oud zijn. De keuring in Beesd geeft de organisatie en de eigenaar van de auto een (goed) beeld van de technische toestand van dat moment. Ik weet dat het beleid van de organisatie er op gericht is dat de auto voor de keuring klaargemaakt wordt en niet na de keuring, of naar aanleiding van.

Daarna zou het aanbevelingswaardig zijn als de eigenaar tot aan het moment van vertrek de Volvo regelmatig gebruikt, met als doel de eventuele mankementen nog voor de start boven water te halen. Het gebruik van de auto in deze periode betekent ook om een aantal onderdelen van de auto een keer aan een test te onderwerpen. Een remproef op een stil weggetje kan een indicatie geven hoe de remmen er aan toe zijn of vraag bij het garagebedrijf of de auto tijdens de APK op een remmentestbank mag.

Eigenlijk zou het zo moeten zijn dat iedere Volvo oldtimer bezitter de geschiedenis van de onderdelen van zijn auto zou moeten weten. Een logboek is daar een prima hulpmiddel voor. Is die geschiedenis er niet dan is controle van het onderdeel nodig. Roep de hulp van de vakman in als je daar zelf niet uit komt. En als je toch bij de vakman bent laat dan ook de compressie opmeten van de motor van je auto. Tenslotte ben ik er ook voorstander van om iedere deelnemer een aantal relatief kleine reserve onderdelen zelf mee te laten nemen. Soms komt het aan op een boutje en moertje om verder te kunnen rijden. Daarnaast toch zeker ook een beperkte hoeveelheid gereedschap.

Van heinde en verre

De eerst etappe van de rally was die vanaf het huisadres naar de plaats van samenkomst en dat was in de Franse stad Lingolsheim. Deze in de Elzas gelegen stad ligt nabij Straatsburg. Van heinde en verre en vanuit alle windstreken koersten de deelnemers richting start. De een reed de route in een keer, een ander volbracht de tocht in 2 dagen. Zelf reden we de eerste dag richting de Moezel en brachten vervolgens de nacht door bij een Bed & Breakfast adres. Bij een Duitse familie in een heel klein dorpje werden we hartelijk ontvangen en de volgende ochtend aangenaam verrast. We zaten met zijn vieren aan tafel, maar het leek wel of er voor 10 personen gedekt was. Na dit koningsmaal werden de motoren van onze Volvo’s gestart en werd lange tijd de contouren van de Moezel gevolgd, om uiteindelijk laat in de middag bij het hotel te arriveren.

Door de jaren heen leer je elkaar aardig kennen en dat is gewoon leuk. Je kent de deelnemers van de reis door Amerika, Italië of Engeland, altijd is het weerzien plezierig, maar bij deze rit waren ook een aantal deelnemers dat voor het eerst mee deed aan een buitenlandse rit. Tijdens de rit zouden we ook deze Volvo liefhebbers nader leren kennen.

Helaas moest het meegereisde technische team direct al aan de slag met een aantal auto’s met mankementen. Het is altijd vervelend als het je overkomt. Soms kun je er niets aan doen omdat je vertrouwen hebt gegeven aan een ander. Soms heb je zelf wat over het hoofd gezien en word je nu geconfronteerd met de gevolgen daarvan. Hans van Buiten en Karel van de Greef wisten als technische team de mankementen te herstellen, waarna de volgende dag een ieder van start kon gaan.

De 2e route was ongeveer 300 kilometer lang en zou ons uiteindelijk in het zuidelijker en hoger gelegen Besançon brengen. De route ging dwars door het schitterende wijngebied van de Elzas. Overal waar je keek zag je de talloze wijngaarden. Een prachtig gezicht. Veel deelnemers brachten een bezoek aan de mooiste stad van de Elzas Kaysersberg. De geboorteplaats van Albert Schweitzer.

19 cols

Verderop kregen we te maken met de eerste van de 19 te berijden cols. Het betrof de ‘Col du Bonhomme’. Ik ga in dit artikel u niet vermoeien met het opsommen van alle genomen cols. Nou vooruit een paar dan, al was het alleen al vanwege de prachtige namen. Daar komen ze: Col du Télégraphe; Col du Galibier; Col d’Izoard en de Col de Turini. (Overigens staan op de site van de Stichting alle cols met naam genoemd en staat er ook nog een mooie foto bij).

De laatst genoemde col ligt in Provence-Alpes-Cote d’Azur en is totaal 15,3 km lang waarbij een hoogteverschil van ruim 1100 meter overbrugd moet worden. De top ligt op 1600 meter. Het gemiddelde stijgingspercentage is 7,2%. De Col de Turini is bekend van de Rally van Monte Carlo en er worden regelmatig georganiseerde autotochten over gehouden. De eindeloze afdaling richting Sospel telt talloze haarspeldbochten. Als je van auto rijden houdt en dan ook nog in je eigen Volvo oldtimer dan was het met bovenstaande cols voor de boeg of bumper volop genieten. Schakelen, gas geven, remmen en sturen het was een aaneenschakeling van handelingen om de Volvo over de cols te krijgen.

Daarnaast moest je natuurlijk de temperatuur van de koelvloeistof en daarmee ook van de motor in de gaten houden. Neemt u van mij aan dat de motoren flink aan het werk zijn geweest. Normaal gesproken kunnen de motoren daar prima tegen, mits alles in goede staat en met olie gevuld.

Vaak genoeg moest de 2e versnelling gekozen worden van onze Amazon en zelfs een enkele keer werd gekozen voor de 1e versnelling om de temperatuur van de motor niet al te hoog op te laten lopen. Eenmaal op de top van de berg werd dan geprobeerd om de temperatuur van de motor enigszins naar beneden te krijgen. Een enkele keer lukte dat niet waarna er een kleine hoeveelheid koelvloeistof uit het reservoir werd gebraakt. Dat was niet erg, later gewoon weer aanvullen.

Ook werd de temperatuur van de remmen af en toe gecontroleerd. Even met je handen voelen aan de velg of wieldop en je weet het of je te veel hebt geremd. Als je in de juiste versnelling de berg weer afdaalt hoef je alleen maar even bij te remmen om de snelheid er uit te halen. Soms was het gewoon “hard”werken.

Nu kun jij het als bestuurder wel naar de zin hebben, maar hoe zit het de bijrijder of je navigator? Hij of zij zit geheel aan jou over geleverd aan je zijde en moet dan maar alle vertrouwen in jouw stuurmanskunst hebben. In ieder geval kunnen zij wel volop genieten van de prachtige natuur en vergezichten. Maar zien natuurlijk ook de lange afdalingen en ravijnen. Dat betekende verantwoordelijkheid nemen en samen proberen heelhuids aan de finish te komen. Sommige cols waren echt spectaculair te noemen. Het was net of je vanuit een vliegtuig naar beneden keek, zo diep. Eenmaal beneden was het ongeloofwaardig dat je van zo hoog gekomen was.

Natuurpark de Mercantour

Door de organisatie werden we vooraf er al voor gewaarschuwd: de laatste rit door de bergen zou een lange en zware rit worden. En ze kregen gelijk. De Col de Turini behoort tot de ‘Route des Grandes Alpes’ en ligt in het prachtige natuurpark Mercantour.

Alle andere cols waren goed te berijden, maar de weg over de col de Turini is smal en bevat talloze haarspeldbochten die je af en toe het gevoel geven dat je in een kermisattractie rijdt. De natuur is overweldigend en vooral schaduwrijk. Het is oppassen voor tegenliggers en af en toe stoppen we om te genieten van de omgeving. Andere deelnemers doen dat ook en zo tref je elkaar regelmatig op zo’n lange dag in de bergen.

Uiteindelijk werd de berg bedwongen en kon na een korte pauze het lange afdalen beginnen en daar leek maar geen einde aan te komen. Tot we ineens in de drukte terecht kwamen en vervolgens in een lange file naar Menton reden, een middelgrote stad aan de Middelandsche Zee. Maar ja dat was nog lang het eindpunt niet. Monte Carlo, daar lag de finish van deze rit. Ik weet niet hoe het de anderen allemaal vergaan is, maar wij waren er snel klaar mee. Het was allemachtig druk en na de lange dag in de bergen snakten we nu wel naar het hotel in Nice.

Monte Carlo

Er was geen doorkomen aan, links en rechts stoven je de scooters voorbij en was het af en toe chaotisch. Toch nog maar ‘de kop’ er bij houden. We wilden wel graag ergens een finishlijn trekken in de rijke stad maar we kregen daar geen kans voor. Dat was in 2005 aan het eind van Route 66 wel even anders. Op het strand van Sante Monica werd toen een klein feestje gehouden. Wat waren we blij dat we de lange reis toen gehaald hadden.

Na kort overleg via de portofoon met de andere equipe besloten we de stad snel te verlaten en richting hotel te gaan. Op naar de snelweg, gemakkelijker gezegd dan gedaan. Er moest eerst weer geklommen worden. Voor sommige equipes werd de dag ook nog eens extra lang en moesten de reserves van het geduld aangesproken worden. Je hebt tolwegen waar je geld in een trechter moet gooien, waarna de slagboom omhoog gaat en jij je weg kunt vervolgen. Gooi dat geld nu niet naast de trechter, want je kunt hierna geen kant meer op. Je deur wil niet open, omdat je te dicht tegen het apparaat aan staat en achter je staat een lange rij bestuurders jouw manoeuvres ongeduldig waar te nemen. “Doe je toch nog opnieuw wat geld in de trechter” hoor ik u zeggen. Pfff, geen kleingeld meer. Nog een les. Het overkwam een aantal equipes. Niet alleen de naam van het hotel in je navigatie intoetsen, maar ook het adres. In een stad als Nice heb je grote kans dat er 2 hotels zijn met dezelfde naam. Je hebt dan 50% kans dat je net bij het verkeerde hotel staat. Echt afzien was dat volgens mij.

Uiteindelijk kwamen we dus na een lange dag bij het hotel in Nice aan, waar we weer keurig werden opgewacht door de medewerker van de reisorganisatie. Altijd prettig als je op een dergelijk moment even de weg wordt gewezen.

 

Evaluatie

Het hotel was prima, maar het eten viel deze keer wat tegen. Zo gaat het meestal en kennelijk hoort dat erbij. De volgende dag was het ontbijt weer goed. Door velen werd Monte Carlo nog een keer bezocht, waarbij het merendeel met de trein ging, al kan dat ook een vervelend gevolg hebben. Anderen kozen er voor om met hun Volvo de drukke stad te bezoeken. En dan heb je heel veel succes als je met je cabriolet Amazon over de boulevard kunt flaneren.

Aan alles komt een eind, zo ook aan deze reis. Prettig was het van de organisatie om alle deelnemers nog even bij elkaar te roepen in de foyer van het hotel. Nog even wat dingen zeggen en daarna afscheid van elkaar nemen. De volgende ging ieders zijns weegs, want sommigen moesten na een paar dagen gewoon weer aan het werk. Anderen gingen in etappes naar huis en nog weer anderen bleven nog een week aan de Côte d’Azur en konden ook nog genieten van heerlijk weer. Bofkonten noemen we dat.

Het mooiste geluid

Dit verslag zijn geen notulen van iets, maar toch moet ik in dit epistel iets vastleggen. Ik heb dat beloofd aan een aantal critici.

2 mannelijk deelnemers rijdende in een prachtige rode Amazon hebben evenals de meeste overige deelnemers genoten van deze ‘Tour de France”. Maar voor hen kwam er nog iets bij. Hun Amazon was kennelijk uitgerust met een degelijke moderne audio-installatie. Dat maakte het voor hen mogelijk naar muziek te luisteren via de tuner en – wie zal het zeggen – misschien wel via allerlei cd’s en via een mp3-speler. Echter, beste VKM lezers deze misschien wel prijzige audio installatie bleef onaangeroerd. De beide mannen waren namelijk van mening dat geen enkel muziekstuk of geluid, noch van Mozart noch van de Beatles of van Frans Bauer, opwoog tegen het sonore geluid van een B18 motor in de bergen.

Waarvan acte!

Tekst en foto’s Dick Scholing, redactie VKM

Overige foto’s Wybe Spelt; Francois Everaets en Klaas Veneberg

Monte Carlo Cols

Onderstaande cols zijn in de route opgenomen. Niet allemaal ‘1ste categorie’ of ‘buitencategorie’. De meeste paswegen zijn gemakkelijk te rijden.

1. Col du Bonhomme (dag 2)

Gelegen op de grens van het Département Haut-Rhin en Vosges, in het Parc Naturel régional des Ballons des Vosges.

Col du Bonhomme

 

2. Col de la Schlucht (dag 2)

Een bergpas in de regio’s Elzas en Lotharingen. De pas dankt haar naam aan het Duitse woord “schlucht” dat kloof betekent. Deze col was meermaals opgenomen in de Tour de France, waar de col wordt aangemerkt als beklimming van de tweede catagorie.

Col_de_la_Schlucht

 

 

3. Col de la Faucille (dag 3)

De Col de la Faucille (1323 m) ligt in de Jura en is 27 km lang. Over deze afstand worden 620 hoogtemeters overbrugd. Het gemiddelde stijgingspercentage is bijgevolg dus 2,3%.

Col de la Faucille

4. Col de Tamié (dag 3)

Deze col ligt in de Rhone-Alpes (hoogte 910 m) dichtbij Albertville en is 10 km lang. Over deze afstand worden 392 hoogtemeters overbrugd. Het stijgingspercentage is bijgevolg 3,9%. In de Tour de France is dit een col van de vierde categorie.

Col de Tamie

 

5. Col du Pré (dag 4)

Deze col (hoogte 1700 m) ligt in de Rhone-Alpes in de aanloop route naar de Cormet de Roselend en Col de l’Iseran. Vanuit Beaufort is col 12,2 km lang en wordt een hoogteverschil overbrugd van 963 m. Het gemiddelde stijgingspercentage is derhalve bijna 8%.

 

Col du Pre

6. Col de Méraillet (dag 4)

Ook deze col (1600 m) ligt, gereden vanuit Beaufort, in de aanlooproute naar de Cormet de Roselend en komt uit bij het Lac de Roselend. De col is 11,8 km lang en de te overbruggen hoogte is 862 m; het gemiddelde stijgingspercentage is 7,3%.

Col de Meraillet

 

7. Cormet de Roselend (dag 4)

Deze bergpas is gelegen in de Franse Alpen en kent vele haarspeldbochten. Deze pas wordt regelmatig opgenomen in de Tour de France, en levert een gevaar op tijdens de afdaling. In 1996 en 2007 belandden renners in een ravijn.

Cormet de Roselend

 

8. Col de l’Iseran (dag 4)

De Col de l’Iseran is met zijn 2770 m de hoogste verharde bergpas van de Alpen. De col is genoemd naar het gebied l’Iséran, dat op zijn beurt naar de rivier de l’Isère vernoemd is. Die rivier ontspringt beneden aan deze col in Val d’Isère. De pasweg begint in Bourg-Saint-Maurice, maar begint pas echt te stijgen bij het dorpje Sainte-Foy-Tarentaise tot aan de oever van het stuwmeer van Tignes. Hier kan men genieten van de majestueuze gletsjers aan de westkant van het dal.

Col de liseran 1

 

9. Col du Télégraphe (dag 4)

De Col du Télégraphe (hoogte 1570 m) is vooral bekend vanwege de etappes in de Tour de France en vormt de verbinding vanuit het noorden naar de Col du Galibier.  De col is slechts 11,5 km lang en er worden 858 hoogtemeters overbrugd. Het stijgingspercentage is 7,4%.

Col du Telegraphe

 

10. Col du Galibier (dag 4)

Deze col (hoogte 2645 m) verbindt Saint-Michel-de-Maurienne met Briançon via de Col du Télégraphe (1570 m). Het gemiddelde stijgingspercentage van de Galibier is 7%, waarbij vooral de laatste kilometers pittig zijn met een percentage van 8,5% en bij de top zelfs 10%. Tot 1976 bestond de enige overgang naar de andere kant van de pas uit een tunnel van 370 m lang, die echter in zo’n slechte staat bleek te zijn dat hij werd gesloten. Er werd een nieuwe weg over de top aangelegd. Na renovatie werd de tunnel in 2002 weer geopend voor autoverkeer.

 

Col du Galibier 1

11. Col d’Izoard (dag 6)

De Col d’Izoard is een lastig te beklimmen pas en wordt daarom vaak in het routeschema van de Tour de France opgenomen als berg van de buitencategorie. De klim vanuit Briançon is 20 kilometer lang een heeft een gemiddeld stijgingspercentage van 6%.

Col dIzoard

 

12. Col Lebraut (dag 6)

Deze col ligt westelijk van het Lac Serre-Ponçon in de Haut-Alpes. De hoogte is 1110 m, de lengte 7 km en het hoogteverschil slechts 256 m. Het stijgingspercentage is 3,5%.

Col Lebraut

 

13. Col de Garcinets (dag 6)

Deze col (1185 m) is ook gelegen in de Haut-Alpes in de buurt van Turriers. Van deze col, 11,5 km lang, is het te overwinnen hoogteverschil is slechts 111 m. Het gemiddelde stijgingspercentage is bijgevolg zeer laag: 0,9%.

Col de Garcinets

14. Col St. Jean (dag 6)

Deze col , gelegen in de Alpes-de-Haute-Provence, is 1335 m hoog, 12 km lang en overbrugt een hoogte van 435 m. Het stijgingspercentage is slechts 3,6%.

Col St. Jean

 

15. Col de la Cayolle (dag 7)

De Col de la Cayolle is een 2337 meter hoge bergpas die de verbinding vormt tussen Entraunes en Barcelonnette. De pashoogte is de grens tussen de Departementen Alpes-Maritimes en Alpes-de-Haute-Provence. De pasweg is gewoonlijk open van mei tot october. De route over de col doorkruist het Nationaal Park Mercantour.

Col de la Cayolle 1

 

16. Col de la Couillole (dag 7)

Deze col, gelegen in de buurt van Beuil, ligt in de Alpes-Maritimes en is 1678 m hoog. De lengte is 7,3 km en het te overbruggen hoogteverschil is slechts 228 m. Het stijgingspercentage is dus 3,1%. De afdaling is echter 16,7 km lang en er moet 1180 m hoogteverschil overbrugd worden. Het dalingspercentage is hier bijgevolg 7%.

Col de la Couillole

17. Col St. Martin (dag 7)

Deze col (hoogte 1500 m) is gelegen in Provence-Alpes-Cote d’Azur en heeft een lengte van 16,5 km. Daarin moet 1018 m hoogteverschil worden overbrugd. Het gemimddelde stijgingspercentage is 6,2%.

Col St. Martin

18. Col de Turini (dag 7)

Deze col ligt in Provence-Alpes-Cote d’Azur en is totaal 15,3 km lang waarbij een hoogteverschil van ruim 1100 meter overbrugd wordt. De top ligt op 1600 meter. Het gemiddelde stijgingspercentage is 7,2%. De Col de Turini is bekend van de Rally van Monte Carlo en er worden regelmatig georganiseerde autotochten over gehouden. De eindeloze afdaling richting Sospel telt talloze haarspeldbochten.

col de turini

19. Col de Castillon (dag 7)

De laatste ‘hindernis’ in onze reis naar Monaco is de Col de Castillon, 707 m hoog en 7 km lang, gelegen in de Provence-Alpes-Cote d’Azur, en verbindt Sospel met Menton. Het hoogteverschil is 360 m en het gemiddelde stijgingspercentage derhalve 5,1%.

Col de Castillon

Avontuurlijke stedentrip met Volvo-klassieker

In je vakantie een stad bezoeken is natuurlijk niet ongewoon. Maar hoe plan je vier stedentrips naar Praag, Krakau, Budapest en Wenen in een 14-daagse vakantie? Gewoon deelnemen aan de Tatra Trail Classic. Een 14-daagse reis voor liefhebbers van klassieke Volvo’s die houden van cultuur, natuur en een vleugje avontuur. Tenminste zo staat het omschreven in de informatiebrochure van de organisatie. Dat waren nu precies de ingrediënten waar onze anders-dan-andere reis aan zou moeten voldoen. Want er waren twee goede redenen om het in 2011 eens over een andere boeg te gooien. Binnen één jaar 25 jaar getrouwd én 25 jaar Volvo rijden moest natuurlijk op een speciale manier gevierd worden. Met dank aan ons 240-260 Register, want onder het kopje evenementen op de website vonden wij deze fantastische reis.

Alleen kwam gauw de teleurstelling bij het bezoeken van de site Klassieke Automobiel Reizen, de stichting die de TTC organiseert. Volgens de site houden ze zich bezig met het organiseren van reizen voor klassieke auto’s van 25 jaar en ouder. Jammer maar helaas, die van ons is slechts 18 jaar jong. Toch maar even een mailtje gestuurd naar de organisatie. Al gauw kreeg ik een positief bericht van Martin Rooseboom met de mededeling dat hun organisatie expliciet leden van het 240-260 Register en 262-Bertone Register hebben uitgenodigd om deel te nemen aan deze Tatra Trail Classic. De leeftijd speelt in dit geval geen rol, aldus Martin. In diezelfde mail vond ik ook in de  bijlage een informatiebrochure en inschrijfformulier. Lucia en ik zaten nu echter nog met een probleem; we moeten beide wel vrij kunnen krijgen. Aangezien de TCC niet in het hoogseizoen plaats zou vinden was dat waarschijnlijk niet echt een probleem. En inderdaad, beide werkgevers waren het helemaal eens met onze vakantieplannen en zodoende kon het inschrijfformulier richting Heiloo.

KEURING

Een van de voorwaarden om deel te mogen nemen is dat de auto bij Volvo Nederland een keuring moet ondergaan. Begrijpelijk natuurlijk, de organisatie wil er zeker van zijn dat de reis aangevangen wordt met betrouwbare, in goede technische staat verkerende auto’s. Kort voor de keuring op 19 maart is onze 240 toe aan zijn jaarlijkse beurt inclusief APK. Er zijn geen noemenswaardige problemen aan onze auto en met het APK keuringsrapport op zak rijden we fluitend naar Beesd. Toch ontdekken de 2 keurmeesters tijdens de keuring enkele gebreken. De remvloeistof dient vervangen te worden, kleine wiellagerspeling op het linker voorwiel en het meest verontrustende is een gedeeltelijk doorgeroeste veerschotel linksachter. Dit laatste baart ons enige zorgen omdat wij hier waarschijnlijk al een tijdje mee rondrijden. Het advies van de keurmeester is om hier niet meer mee rond te blijven rijden. Maar een rustig ritje retour naar Etten-Leur moet nog wel mogelijk zijn, aldus keurmeester Dick. Tijdens de keuring hebben we die middag nogal wat bekijks, omdat onze ‘tank’ een beetje vreemde eend in de bijt is. Hij valt natuurlijk wel op tussen de echte oudjes, zoals de Amazone, Katterug en P1800. Bovendien krijgen we op deze dag ook de rallyschildjes, stickers en het routeboek inclusief smoelenboek uitgereikt. Hierin staan alle deelnemers met hun auto vermeld. Bij het doorbladeren valt op dat wij helaas de enige deelnemers zijn van ons Register. Het zou leuk geweest zijn als onze 240 nog een maatje had gehad tijdens zijn komende avontuur. Maar gelukkig rijdt equipe 32 wel mee met een unieke auto uit de 200-serie, een 262C Bertone. Tevens maken we die middag kennis met een aantal equipes die ook gekeurd moeten worden rond de klok van 14.00 uur. Het grootste gedeelte is helaas al weer vertrokken, omdat de keuring nagenoeg de gehele zonnige zaterdag in beslag neemt. Met de lijst met afkeurpunten in onze binnenzak verlaten we de Betuwe en zetten we koers richting huis. Die maandag erop maar meteen met de Volvo-specialist contact opgenomen om de punten in orde te laten maken. Met enige verbazing hoort hij mijn verhaal aan over de afkeurpunten. Zeker het veerschotel-verhaal is iets waar ook hij van opkijkt. Maar gelukkig wordt diezelfde week de auto nog 100% technisch in orde gemaakt en kunnen we met een gerust hart uit zien naar 29 mei, de start van de TTC.

VOORBEREIDING

De twee weken voorafgaand aan de start van de TTC treffen we de laatste voorbereidingen. Aangezien ons navigatiesysteem geïntegreerd zit in onze V70 besluiten we toch maar om een TomTom aan te schaffen. De gratis ANWB routekaarten hadden we al in ons bezit en bij de plaatselijke boekhandel kopen we nog een gedetailleerde kaart van het landen die we gaan doorkruisen. Het verkregen routeboek bevat veel informatie over de bezienswaardigheden onderweg, maar we besluiten toch om nog maar even een bezoek te brengen aan de bibliotheek. Wat reisgidsen in het dashboardkastje kunnen tenslotte nooit geen kwaad. Bovendien boeken we nog twee hotelletjes voor zowel de heen- als de terugreis. De start van de TTC vindt eigenlijk plaats op zondag 29 mei, maar wij besluiten om onze 240 al op zaterdag richting het oosten te sturen. We splitsen dus eigenlijk de eerste etappe in tweeën en kunnen zodoende relaxed aan de reis te beginnen. Zo plannen we dat dus ook met de terugreis en verlengen we dus de 14-daagse reis met 2 dagen. Onze 240 zelf verdient ook nog wat extra aandacht voordat hij aan zijn reis gaat beginnen. De bijgeleverde tyrips om de rallyschildjes te bevestigen laten we thuis in de kast liggen en doormiddel van op maat gemaakte beugeltjes bevestigen we het rallyschildje op een professionele manier aan de voorzijde. Aangezien de achterruit van onze 240 nog rechter staat dan de toren van Pisa kan het rallyschildje aan de achterzijde gewoon aan de binnenkant van de ruit bevestigd worden. Even hebben we nog getwijfeld om wat reserve onderdelen mee te nemen, maar wat moet je meenemen is de vraag? In overleg met ons onderhoudsbedrijf houden we het maar op een litertje olie, koelvloeistof en de altijd aan boord zijnde reservelampjes. Kort voor aanvang van de TTC krijgen wij nog een telefoontje van Theo Hoekstra. Hij is verantwoordelijk voor de techniek tijdens de reis. Hij was benieuwd of de afkeurpunten ook daadwerkelijk opgelost waren. Natuurlijk kreeg hij van mij een positief antwoord. Volgens Theo werden in het verleden nog wel eens auto’s teruggeroepen voor een herkeuring. Maar de organisatie heeft besloten dat ook de eigenaar van het voertuig verantwoordelijk gehouden moet worden voor zijn auto. Mocht tijdens de reis blijken dat het mankement met een afkeurpunt te maken zou hebben, dan konden de deelnemers fluiten naar de hulp van het technisch team, aldus Theo. Geheel terecht natuurlijk, maar wij hoeven ons geen zorgen te maken. Onze 18-jarige Zweed is er technisch helemaal klaar voor.

Dag 1 – 29 mei: Utrecht-Zwickau

Eigenlijk de eerste dag van de TTC, maar wij hebben er dan al een dag en een nachtje opzitten. Na een overnachting in het Thüringer Woud, komen we ’s middags uitgerust aan in Zwickau. Dit is de plaats waar alle deelnemers voor het eerst samenkomen. De rit hier naar toe hebben we niet helemaal volgens het routeboek gereden. Dat heeft alles te maken met het feit dat de eigenlijke startplaats Utrecht is, maar om nu als Brabanders eerst de ‘verkeerde’ kant op te rijden heeft natuurlijk geen zin. Evenals de andere equipes uit Nederland heeft ieder zijn eigen weg gekozen naar Zwickau. Als we het parkeerterrein van het Achat Comfort Hotel oprijden zijn we even verbaasd. Tussen de 10-tal klassiekers die reeds gearriveerd zijn staat zowaar een rode Volvo 240. Het blijkt ook een deelnemer aan deze reis te zijn want de rallyschildjes verraden dat ook deze stoere Zweed een rondje gaat maken door Oost-Europa. Waarschijnlijk heeft deze equipe zich nog op het allerlaatste moment ingeschreven omdat wij toch de enige waren in het smoelenboek met een Volvo 240. Tijdens het inchecken krijgt ons maatje een mooi plaatsje toegewezen onder het  hotel in de afgesloten parkeergarage. Ook wijzelf krijgen een mooi plaatsje toegewezen in het, in de buitenwijken van Zwickau gelegen, hotel. De organisatie heeft voor deze reis bewust gekozen voor 4-sterren hotels om het de deelnemers zo geriefelijk mogelijk te maken. Een van de redenen waarom de organisatie voor Zwickau heeft gekozen als etappeplaats is het August Horch Museum in deze voormalige Oost-Duitse stad. Nadat we de koffers in onze kamer achterlaten trekken we meteen de wandelschoenen aan en na een klein kwartiertje lopen arriveren we bij het museum. Tijdens ons bezoek maken we kennis met meerdere deelnemers aan de TTC. Want alle Nederlandssprekende bezoekers blijken TTC-deelnemers te zijn. Het bezoek aan het museum is trouwens, ook al ben je een rasechte Volvo-liefhebber, zeer interessant. In deze voormalige Audi-fabriek begon August Horch in 1910 na onenigheid met zijn voormalige compagnons zijn eigen bedrijf. De naam Horch bleef echter voorbehouden aan zijn oude compagnons. Zodoende vetaalt hij zijn eigen naam in het Latijn en zo ontstaat de merknaam Audi. In 1932 besluiten de concurrenten de handen ineen te slaan. De merken Audi, Horch, Wanderer en DKW worden samengevoegd en zo ontstaat Auto Union. De 4 ringen, die staan voor de vier merknamen, vormen vanaf die tijd het nieuwe beeldmerk van de nieuwe onderneming. Vandaag de dag wordt dit logo, zoals u wellicht weet, nog steeds gebruikt door Audi. In het museum zijn alle vier de merken ruim vertegenwoordigd, maar ook de legendarische Trabbant is hier in verschillende gedaantes te bewonderen. De Trabbant die hier in gigantische aantallen geproduceerd is heeft zelfs onze eigen 200-serie verslagen voor wat productieaantal betreft: 3.096.099 stuks in 33 jaar. Na ons bezoek lopen we nog even door naar het ruim 2 kilometer verder gelegen centrum van Zwickau. De temperatuur is ondertussen al aardig opgelopen en we nemen dan ook een verkoeling op een van de vele terrassen die gelegen zijn aan de Hauptmarkt. Aan het eind van de middag wandelen we terug naar ons hotel en na een verfrissende douche maken we ons klaar voor het welkomstdiner. Voor aanvang van het diner worden we welkom geheten door Theo Hoekstra van de Stichting Klassieke Automobiel Reizen, kort weg KAR genaamd. Bovendien worden we voorgesteld aan Martin Rooseboom, de man die verantwoordelijk is voor de routeplanning. Theo deelt ons mede dat iedereen veilig vanuit Nederland is aangekomen. Er was slechts een auto met wat technische problemen en dat was, je gelooft het of niet, de nieuwe V70 van het technisch team. U begrijpt dat er hartelijk gelachen moest worden bij deze mededeling. Maar Theo kon ons geruststellen, er was voor morgen al een afspraak gemaakt met de plaatselijke Volvo-dealer. Waarschijnlijk zou het probleem na wat nieuwe software opgelost moeten zijn. Dus niet gevreesd, de heren Hans van Buiten en Karel van de Greef zullen ons tijdens de reis met raad en daad bij kunnen staan. Tevens krijgen we de mededeling dat er nog 2 equipes ontbreken. Een van deze equipes is ook voorzitter Klaas Postma van de Stichting KAR. Door omstandigheden zijn zij helaas niet aanwezig tijdens de eerste dagen. Samen met zijn vrouw en het andere team zullen zij, volgens afspraak, in Krakau bij de rest aansluiten. Als laatste worden we voorgesteld aan Jan Bruins en Anita Velthuis. Dit duo van reisorganisatie Eurocult, specialist in Oost-Europese reizen en reizen naar Azië, hebben voor alle deelnemers de hotels en de excursies geregeld. Al gauw blijkt dat dit duo een rode 240 van de voorzitter in bruikleen heeft gekregen om de Tatra Trail mee te kunnen rijden. Als laatste wenst Theo ons nog een hele goede en veilige reis en natuurlijk smakelijk eten. Na het diner maken we nog een wandelingetje door het aangrenzende park. Ook hier treffen we wederom deelnemers die nog even een frisse neus willen halen voor het slapen gaan. Zo ook Francois Everaerts  en zijn vrouw José. Deze deelnemers hebben helaas hun P1800 thuis moeten laten wegens problemen met de overdrive. Dat is natuurlijk heel jammer, wetende dat Francois zijn troetelkindje had voorzien van speciaal voor deze reis gemaakte stickers voor op zijn felblauwe coupé. Maar gelukkig kunnen ze morgen wel van start in hun Volvo 850 Estate.

Dag 2 – 30 mei: Zwickau-Praag

Na een goede nachtrust genieten we van en zeer uitgebreid ontbijtbuffet. Blijkbaar horen we bij de vroege starters want het is nog vrij rustig in de ontbijtzaal. Het technisch team is al wel aan het smullen van de verse broodjes. Van een van de deelnemers krijgen ze te horen dat ze toch echt even moeten wachten met hun vertrek. Blijkbaar is ze bang dat de heren vertrekken voordat iedereen zijn klassieker heeft gestart. Maar geen nood even later staan de heren al gebogen onder de motorkap van een Katterug op het parkeerterrein. Altijd handig dus zo’n team ter ondersteuning. Even later starten ook wij onze 240 onder in de parkeergarage. Blijkbaar hebben al meerdere deelnemers het contactsleuteltje omgedraaid want de walm die onder in de garage hangt is te snijden. Valt ons nog mee dat het brandalarm niet is afgegaan. We drukken de dagteller op nul en zetten koers richting Praag. Het eerste gedeelte van de route voert ons hoofdzakelijk over de snelweg richting Dresden. De organisatie heeft besloten om de deelnemers de mogelijkheid te geven om ook deze stad te bezoeken. Indien niet gewenst, kan iedereen de route vervolgen richting Praag. Wij kiezen voor de laatste optie omdat wij liever in Tsjechië wat kleinere plaatsen willen bezoeken. Relaxed sturen we onze 240 langs de oevers van de Elbe en doorkruisen zo de uitlopers van het Ertsgebergte. Na enige tijd rijden we het sfeervolle marktplein van het stadje Litomerice  op. Hier parkeren we onze 240 en nadat we de eerste kronen uit de muur hebben getapt genieten we van koffie met gebak op een van de vele terrassen. De volgende bestemming op de route is het op een steenworp afstand gelegen Terezin. Deze oorspronkelijke garnizoensstad kreeg grote bekendheid als concentratiekamp Theresienstadt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het deed hoofdzakelijk dienst als doorgangskamp voor Joden die later naar Auschwitz of andere vernietigingskampen werden gestuurd. Wij besluiten geen bezoek te brengen aan het museum omdat Auschwitz later deze week op het programma staat. Wel brengen we een klein uurtje later een bezoek aan het op de heuvel gelegen wijnstadje Melnik. Kort voordat we arriveren zien we zowaar toch nog een deelnemer met een Katterug rijden, want even dachten wij dat we alleen deze route aan het rijden waren. Vanaf de heuvel hebben we en schitterend uitzicht over Midden-Bohemen en de monding van de Moldau die hier in de Elbe uitkomt. Na een wandeling door de pittoreske straatjes starten we voor de laatste keer de 240 om naar ons einddoel Praag te rijden. Nadat we de buitenwijken van Praag hebben doorkruist arriveren we bij het Clarion Congress Hotel Prague. Het hotel is ondergebracht in een gigantisch complex waarin zich ook een winkelcentrum en een metrostation bevinden. Nu hebben wij al veel hotels bezocht in het verleden, maar nog nooit een waar wij via een roltrap van tientallen meters naar de receptie worden gedirigeerd. Volgens de jongeman achter de balie kunnen we onze auto parkeren op parkeerdek -2. Nadat we weer zijn afgedaald via de roltrap parkeren we onze auto op dit parkeerdek. Kort nadat ik de contactsleutel uit het slot neem zie ik nog een grote roldeur met het opschrift HOTEL-PARKING. Blijkbaar weten de Tsjechen niet hoe ze Volvo moeten schrijven, zeg ik tegen Lucia, want een lichtbalk boven de roldeur geeft VOLNO aan. Doormiddel van het verkregen pasje openen wij de roldeur en parkeren we onze 240 veilig in dit deel van de gigantische parkeergarage. Blijkbaar zijn wij de enige, want de andere gearriveerde Volvo’s staan in het openbare gedeelte van de parkeergarage. Het is daarna even zoeken naar onze hotelkamer, maar na en tijdje wandelen en meerder liften genomen te hebben vinden we onze kamer in dit gigantische doolhof. Na een nachtje Zwickau is dit ons verblijf voor de komende 2 nachten, want morgen hebben we een rustdag en gaan we Praag bezoeken.

Richting Polen en Slowakije

Na Duitsland en Tsjechië zetten we in dit verslag koers richting Polen en Slowakije. Een kwart van de bijna 4000 kilometer lange rit zit er op en na de rustdag in Praag gaan we weer twee dagen toeren met onze Zweedse vriend. We brengen een bezoek aan concentratiekamp Auschwitz en op de tweede rustdag genieten we van de historische stad Krakau. Daarna loopt de route richting het Tatragebergte, de naam waar deze reis zijn naam aan ontleent. Via dit gebergte belanden we in het vierde land deze reis, Slowakije.

Dag 4: 1 juni Praag-Olomouc

Na een dagje rust in Praag, nou ja…..wat je rust kunt noemen is het weer tijd om onze 240 te gaan bevrijden vanuit zijn beveiligde garage. Ondertussen zijn we ook weer wat wijzer geworden voor wat betreft de Tsjechische taal. Het woord VOLNO boven de ingang van de parkeergarage blijkt gewoon Tsjechisch te zijn voor VRIJ, met dank aan de vrouwelijke gids die ons door Praag heeft geloodst. En wij maar denken dat die Tsjechen geen VOLVO kunnen schrijven. Maar voordat we vertrekken moet er eerst nog ontbeten worden. Evenals gisteren is het in de gigantische ontbijtzaal ter grootte van een voetbalveld een heksenketel van jewelste. Als ze een wedstrijd uit zouden schrijven: hoe krijg ik zoveel mogelijk nationaliteiten in één ruimte, is dit hotel vast en zeker de winnaar. Maar het ontbijt smaakt uitstekend en dat maakt veel goed. Na ons ontbijt trekken we verder Tsjechië in. Hoe verder we onze 240 richting de grens met Polen sturen hoe fraaier het landschap wordt. Dat kunnen we van het weer niet zeggen, want na een aantal hoogzomerse dagen is de lucht grauw en betrokken. Het schitterende plaatsje Nove Mesto verwelkomt ons zelfs met een donderklap. Toch pakken we ook hier een terrasje onder de mooie arcades die het oude plein rijk is in gezelschap van twee andere equipes. Want reden we eergisteren nagenoeg alleen, vandaag zijn de VOLVO’s in alle types ruim vertegenwoordigd. Zo ook als we even later de weg vervolgen door het Adelaarsgbergte. Dit gebergte op de grens van Tsjechië en Polen nemen we in gezelschap van vier andere klassiekers. Het is wel opletten geblazen want de weg ligt er hier niet echt strak bij, maar met wat stuurmanskunst omzeilen we de grootste gaten. Ondertussen is het miezerende weer overgaan in echte regen en in het plaatsje Zamberk valt de regen zelfs met bakken uit de lucht. Maar na regen komt zonneschijn en dat geldt ook voor Tsjechië. De laatste kilometers voor Olomouc krijgen wij gezelschap van een Lancia Kappa met aan het stuur een zeer vrolijk kijkende Tsjech. Nadat wij elkaar om beurten hebben ingehaald krijg ik van hem het sein; perfect, schitterend, uitstekend. Tenminste ik neem aan dat de duim omhoog ook in Tsjechië positief bedoeld is. Als hij zijn Kappa-neus nagenoeg tegen mijn achterbumper zet bij het verkeerslicht, zwaait zijn deur open en vraagt in zijn beste Duits of ik bij een volgende gelegenheid even wil stoppen omdat hij wat meer wil weten over de Tatra Trail Classic. Lucia en ik kijken elkaar aan en stemmen beide in en even later gaan we in de buitenwijken van Olomouc de conversatie aan. De man is zeer geïnteresseerd en wil alles weten over het wel en wee van deze reis. Aan het eind van ons gesprek geven we hem het advies om gewoon Tatra Trail Classic in te toetsen op de google-site. Met een vriendelijk gebaar van de man nemen we afscheid en vervolgen we onze reis. Na enkele kilometers rijden we het parkeerterrein op van Hotel Flora. De betonkolos blijkt van binnen een fraai gerenoveerd hotel en onze kamer op de zevende verdieping is inclusief schitterend uitzicht op de oude stad. Die avond genieten we voor de tweede keer deze reis van het gezamenlijke diner in het restaurant. Na afloop kletsen we nog wat bij onder het genot van een drankje en slapen die nacht als een Tsjechische roos.

Dag 5: 2 juni Olomouc-Krakau

Na het ontbijtbuffet zijn we weer helemaal klaar voor de reis naar Krakau. Nadat we nog een rondje door het oude centrum van Olomouc hebben gereden pakken we de route weer op en zetten koers richting de Poolse grens. Echt vrolijk kunnen we niet worden van het landschap, maar dat heeft misschien ook te maken met het donkere, troosteloze weer. Rondom de stad Ostrava, het centrum van een groot industriegebied, wordt het nog een graadje erger. Van natuurschoon is hier totaal geen sprake en we krijgen nu al heimwee naar de routes van de vorige dagen. Maar dat het nog triester kan, bewijst het centrum van de grensstad Cesky Tesin. De route voert ons dwars door deze troosteloze stad. De kleuren grijs, lichtgrijs en donkergrijs moeten vast en zeker hier zijn uitgevonden, dat kan niet anders. Gelukkig dat het Shell-station in het centrum nog wat kleur brengt in deze duistere stad. Hier gooien we onze tank vol met de laatste Tsjechische kronen en drinken nog een kop koffie uit de automaat. Maar eenmaal over de grens lijken we weer in een ‘westerse’ wereld  te komen. Nadat we kort na de grens per abuis van de route afwijken rijden we over een slingerend weggetje waar aan beide zijde fraaie bungalows als paddestoelen de grond uitschieten. Ook het wagenpark is er net even wat moderner dan over de grens aan Tsjechische kant. Reed daar nog menig automobilist in een oude Skoda of Lada, hier doen de verkopers van o.a. Volkswagen en BMW goede zaken. Blijkbaar vloeit het geld wat de Poolse werknemer in Nederland verdient weer gewoon terug naar hun vaderland. Na een klein kwartiertje pakken we de route weer op en zetten koers richting Auschwitz. Bij  aankomst is het even schrikken, want deze gedenkwaardige plek doet ons in eerste instantie denken aan een toeristenkermis. Aan beide zijde van de straat, waaraan de ingang van het concentratiekamp ligt, staan meerdere  personen te zwaaien en te wijzen met de bedoeling auto’s te lokken naar hun parkeerterrein. Deze taferelen had ik wel bij een attractiepark verwacht, maar zeker niet op deze plek. Maar goed, we parkeren onze 240 op een van de overvolle terreinen en wandelen rustig naar de ingang. We vangen ons bezoek aan met een filmvoorstelling over de geschiedenis van Auschwitz. Tijdens de voorstelling is het muisstil en met grote verbijstering zien we de gruwelbeelden op het witte doek. Even later lopen we door de toegangspoort het kamp binnen. Boven de ingang hangt nu nog steeds de spreuk ‘arbeit macht frei’, wat aan de buitenkant de indruk moest wekken van een werkkamp. In werkelijkheid hadden de nazi’s heel andere plannen met de grotendeels Joden die hier om het leven kwamen. Met verstokte adem lopen we door het kamp en bezoeken o.a. de gaskamers, ruimtes waar experimenten werden uitgevoerd en het crematorium. Bovendien nemen we een kijkje in het Nederlands paviljoen waar een tentoonstelling is ingericht over de vervolging en deportatie van Joden in Nederland. Hier bevindt zich ook een wand met alle namen van de 57.000 Joden uit Nederland die hier en in andere kampen het leven lieten. Het is slechts een klein percentage van de in totaal 1,1 miljoen grotendeels Joden die hier aan hun einde kwamen. Na dit indrukwekkende bezoek wordt het weer hoog tijd om onze route richting Krakau te gaan vervolgen. De grijze lucht van vandaag heeft ondertussen plaatsgemaakt voor blauwe lucht en vriendelijke wolkjes. We rijden door een glooiend landschap naar ons einddoel, het Crown Piast Hotel. Bij aankomst deze keer helaas geen mooie parkeergarage voor ons maatje. Ondanks het 5-sterrenhotel moet hij genoegen nemen met een plaatsje tussen het onkruid ergens op het hotelterrein. De deelnemers aan een conferentie in het hotel hebben helaas alle mooie parkeerplekjes ingepalmd. Ondanks het 0-sterren parkeerterrein is onze kamer wel 5-sterren waardig. Evenals in Praag is ook dit hotel onze ‘thuisbasis’ voor twee nachten. Ondertussen is ook voorzitter Klaas Postma van de organisatie gearriveerd. Samen met zijn vrouw gaan ze vanaf Krakau gezellig de reis met ons voortzetten. En dat doen ze met een…..240 Estate. Jawel, hun Amazone hebben ze wegens een technisch mankement thuis moeten laten. Morgen dus een rustdag en gaan we Krakau verkennen.

Dag 7: 4 juni Krakau-Zakopane

Na een dagje 240-loos zijn we er weer helemaal klaar voor. Onze Zweed staat weer te popelen om ons richting het Tatragebergte te brengen. Het eerste gedeelte van de route gaat eigenlijk via de ringweg ten noorden en westen van Krakau. Omdat we naar het zuiden moeten besluiten wij om de bocht af te snijden en door het centrum van Krakau te rijden. Ten zuiden van de stad pakken we de route weer op en voegen ons tussen enkele VOLVO’s die wel het rondje hebben gemaakt. Enkele minuten later rijden we Wieliczka binnen waar zich de wereldberoemde zoutmijnen bevinden. Veel deelnemers aan de TTC zoeken hier een parkeerplaatsje om de mijn te bezoeken. Van horen zeggen zit je hier vrij lang onder de grond en wij hebben meer behoefte aan frisse lucht op deze prachtige dag. Vandaar dat wij onze 240 verder het fraaie landschap insturen ten zuiden van Krakau. Gezeten in onze heerlijke fauteuils (een 240 heeft geen stoelen) toeren we rustig over gele weggetjes met een groen lijntje. Niet dat de wegen hier zo gekleurd zijn, maar onze Falk landkaart geeft  de route wel zo weer. Zo nu en dan doorkruisen we een Pools dorpje met vaak opvallende kerken. Dat kunnen zeer moderne trendy kerken zijn, maar ook kerken die geheel uit hout zijn opgetrokken. Zoals ook het kerkje van Debno dat samen met 5 andere kerken in zuidelijk Klein-Polen op de Werelderfgoedlijst staat. Nadat we Nowy Targ zijn gepasseerd krijgen we een regenbui op ons dak. Het is gelukkig van korte duur en als we even later Chocholow met zijn schitterende traditionele houten huizen passeren kunnen de ruitenwissers weer in de ruststand. Het is dan nog slechts 20 kilometer naar het Hotel Belvedere. De laatste kilometer naar ons overnachtingsadres voert ons over zeer smalle weggetjes, met dank aan onze TomTom. We hebben ook nog de pech dat er aan de weg gewerkt wordt en met pijn en moeite sturen we onze bijna 5 meter lange vriend langs de obstakels naar het hotel. Even later arriveren we bij het schitterend gelegen hotel aan de rand van het wintersportdorp Zakopane. Als we ’s middags het centrum bezoeken blijken er niet alleen wintersporters af te komen op deze uniek gelegen plaats aan de voet van het Tatragebergte. We wanen ons in het Zuid-Limburgse Valkenburg maar dan een graadje erger. Wel vinden we hier een scala aan vele traditionele houten huizen met veel houtsnijwerk. Nadat we ’s avonds nog een hapje eten op een van de vele terrassen wandelen we weer rustig terug naar ons hotel. We snurken die nacht alsof we een heel bos aan het omzagen zijn, maar dat kan ook niet anders in zo’n frisse bosachtige omgeving.

Dag 8: 5 juni Zakopane-Koscice

Vandaag staat de ‘koninginnenrit’ op het programma. Na het Ertsgebergte en Adelaarsgebergte zijn we toe aan de echte bergen. We zijn vroeg uit de veren en ook hier smullen we weer van een fantastisch ontbijt. Als we de parkeergarage uitrijden kunnen meteen de zonnebrillen op, want het zonnetje is ook vandaag weer vroeg van de partij. De eerste kilometers verlopen voor de meeste equipes niet geheel vlekkeloos. Ook wij hebben moeite om de juiste route op te pakken. Nadat  we de eerste kilometers regelmatig andere VOLVO’s  met Nederlands kenteken tegemoet komen slaat de twijfel verder toe. Als we even later met meerdere deelnemers op een parkeerplaats discussiëren over de route komen we toch gezamenlijk tot de juiste conclusie; die kant op, wijzend naar het zuiden. En inderdaad even later rijden we richting de Slowaakse grens en hebben we de route weer te pakken. Hier is het echt genieten met schitterende vergezichten op de toppen van het Tatragebergte. In tegenstelling tot ander berggebieden doorkruisen we niet het gebergte maar rijden we langs de flanken van de reusachtige pieken. Eerst oostwaarts rijdend aan de noordzijde om bij Tatranska Kotlina af te buigen naar het westen en zo de zuidflanken van dit reusachtige gebergte te aanschouwen. De asfaltweg is hier mooi gladgestreken en dat hebben we de laatste dagen wel eens anders meegemaakt. Na een aantal uurtjes toeren gaan we op zoek naar een kop koffie. Equipe 25 heeft hetzelfde idee en even later strijken we samen neer op een terras in Liptovska Kokava. Na kronen en zloty’s kunnen hier de euro’s weer uit onze broekzak en voor slechts 60 eurocent genieten we van een heerlijke kop koffie. Na de koffiestop zetten we koers richting Liptovsky Hradok. Hier pakken we weg 18 en al slingerend langs de snelweg E 50 laten we het Tatragebergte achter ons. In het schitterende stadje Levoca maken we een rondwandeling en sluiten die af met een lunch op het terras van het plaatselijke hotel. Wat dat betreft had deze reis ook Terras Trail Classic kunnen heten, want het aantal terrassen is niet meer te tellen. Als we even later onze route vervolgen is het even schrikken. Dat we hier te maken hebben met een minder welvarend land wisten we natuurlijk, maar dat er hele groepen Roma-bevolking wonen in krotwoningen is onvoorstelbaar. Als we de  krottenwijken achter ons laten krijgen we in Spisske Podhradie  toch nog gezelschap van een bedelende Roma-moeder met haar kroost. We besluiten maar snel de contactsleutel om te draaien voordat de hele familie op ons af komt. We vervolgen onze weg door het schitterende landschap richting onze eindbestemming Kosice. Als we even later meerdere TTC-deelnemers tegemoet rijden met armen buiten boord die ronddraaiende bewegingen maken krijgen we een vermoeden dat er iets loos is. Maar we besluiten vrolijk verder te rijden net als meerder deelnemers die het sein negeren. Toch geef ik een aantal kilometers later een slinger aan het stuur omdat nog veel meer deelnemers claxonnerend  en zwaaiend ons tegemoet rijden. In tegenovergestelde richting vervolgen we onze weg en even verderop op een parkeerplaats krijgen we te horen dat de weg inderdaad versperd is wegens een sportevenement. De TomTom bewijst op zulke momenten goede diensten en al slingerend over binnendoorweggentjes komen we uiteindelijk aan bij het Doubletree by Hilton Hotel in Kosice. Helaas hebben we geen tijd om deze schitterende stad te bezoeken omdat er een gezamenlijk diner op het programma staat. Die avond besluiten we om het niet te laat te maken omdat de andere dag de langste etappe op het programma staat.

AVONTUURLIJKE STEDENTRIP MET VOLVO-KLASSIEKERS (DEEL 3)

Onze VOLVO 240 voelt zich nog steeds helemaal thuis tussen de echte VOLVO-oudjes tijdens deze reis. Hij heeft ons in deel 2 veilig en zonder problemen tot in Slowakije gebracht. Ondertussen hebben we er 2200 kilometer opzitten en dat betekent dat we ruim over de helft zijn van deze schitterende reis door Oost-Europa. In deze laatste aflevering reizen we door naar Hongarije en Oostenrijk om daarna via Duitsland weer huiswaarts te keren naar ons vaderland Nederland. Maar we gaan niet alleen kilometers maken, ook bezoeken we deze tweede week de steden Budapest en Wenen. 

Dag 9 – 6 juni: Kosice-Budapest

Vandaag de langste etappe van de Tatra Trail Classic. Na het ontbijt schuiven we voor de zoveelste keer onze koffers in de ruim bemeten kofferbak van onze 240 Estate en zetten koers richting de Hongaarse grens. Eerst moeten we nog menig hobbeltje en kuiltje nemen voordat we de stad uit zijn, maar al gauw wordt het asfalt strakker en zoeven we naar de grensovergang in Tornyosnemeti. We verlaten weer de eurozone en dat betekent geld wisselen. We sluiten achteraan in de rij want blijkbaar zijn wij niet de enige die onze euro’s willen verruilen voor Hongaarse forinten. Bovendien moeten we ook hier weer een vignet aanschaffen om boeteloos over de snelwegen te kunnen rijden. Maar na een klein half uurtje kunnen we de route weer vervolgen. Vlak na de grens verlaten we de doorgaande route en rijden we via slingerweggetjes door een zeer fraai en lieflijk landschap. Zo nu en dan doorkruisen we kleine dorpjes waar de ooievaars zich helemaal thuis voelen. Vele van de talrijke elektriciteitsmasten langs de route zijn namelijk uitgerust met ooievaarsnesten. Als de ooievaarspopulatie hier een afspiegeling is van de geboortecijfers is dit waarschijnlijk over enkele jaren de drukst bevolkte regio van Hongarije. Maar nu heerst er nog volop rust. Zeker als we een tijdje later even door het wijnstadje Tokaj slenteren. Dit stadje op slechts 65 kilometer afstand van de Oekraïense grens is het centrum van een populair wijngebied. De verleiding om op een terras een koel wit wijntje te nuttigen is groot, maar we houden het toch maar op een overheerlijke kop cappuccino. Daarna zetten we koers richting het zuiden, waar de zon nog steeds hoog aan de hemel prijkt. Al gauw komen we weer tot stilstand want we gaan een boottochtje maken. We sluiten achteraan in de rij en wachten met meerdere equipes op het pontje wat ons over de rivier de Tisza moet zetten. Na de overtocht vervolgen we de route door het vlakke Hongaarse landschap richting de uitgestrekte poesta’s. Maar voordat we het Nationaal Park Hortobágy bereiken moet onze 240 eerst nog het nodige trotseren. Als een waggelende eend stuur ik onze trouwe vriend over de ‘highway’ van Hongarije. Er is heel wat stuurmanskunst voor nodig om de gaten in het asfalt te ontwijken. Nou ja….asfalt? De snelheidslimiet van 20 km p/u, zoals de borden langs de weg aangeven, is nog hoog gegrepen. Maar uiteindelijk bereiken we wegnummer 33 en vervolgen we de route in westelijke richting over strak asfalt door het Hortobágy Nationaal Park. Dit park staat sinds 1999 op de werelderfgoedlijst en behoort tot de grootste poesta’s van Europa. In het dorpje Hortobágy, gelegen tussen het uitgestrekte steppelandschap, ontmoeten we meerdere equipes en onder het genot van een flesje fris nemen we de afgelegde route nog eens door. Want genoeg drinken is deze dag erg belangrijk. Zonder airco en met temperaturen van wel 35 graden gaan er aardig wat litertjes door onze kelen. Maar de tussenstop is van korte duur want Budapest is nog ver. We vervolgen de route en steken even later het op een na grootste meer van Hongarije over; het Tiszameer. In tegenstelling tot het grootse meer van Hongarije, het Balatonmeer, is dit nog niet ingenomen door het massatoerisme. In dit beschermd natuurgebied hebben de vogels, vissen en het vele wild nog alle ruimte. Na een klein half uurtje toeren bereiken we de stad Eger. Het is de poort naar een klein gebergte in het noorden van het land; het Matragebergte. Het is een van de meest geliefde vakantieoorden van Hongarije. Als we dit gebied doorkruisen pakken zware wolken zich samen en het fraaie zonnige weer maakt plaats voor donker en regenachtig weer. Zeker bij het passeren van de hoogste berg van Hongarije, de Kekesteto (1014 meter), is het een troosteloze bedoeling. Ondertussen zijn we wel verzeild geraakt in een colonne met andere klassiekers en dat maakt het toeren over de bochtige weggetjes weer des te leuker. Maar de tijd begint te dringen want het is al laat in de middag. Dat hebben de organisatoren geweten, want de laatste 70 kilometer voert ons over de snelweg naar Budapest. Met een vaartje van 130 k/u bereiken we snel Hotel Mercure Korona in het drukke centrum van de Hongaarse hoofdstad. Ons maatje parkeren we weer veilig in de garage en wij moeten genoegen nemen met een, ons inziens, niet 4-sterren waardige hotelkamer. Dat is dus even wennen na de zeer fraaie hotelkamers van de afgelopen dagen. Morgen een rustdag en gaan we deze bruisende drukke stad verkennen.

Dag 11 – 8 juni: Budapest-Wenen

We zijn weer vroeg uit de veren en verlaten snel het broeierige centrum van Budapest. Want na een dag ‘summer in the city’ hebben we weer genoeg uitlaatgassen opgesnoven. Maar voordat we het drukke centrum verlaten zijn we al gauw een half uur verder. Als we de stad achter ons laten komen we in een niet al te fraai landschap terecht. Bovendien wordt de lucht grijzer en grijzer en als de kleur grijs ook nog omslaat in zwart valt de regen met bakken uit de lucht. Met de ruitenwissers in de snelste stand nemen we de brug over de Donau. Hier in het drukke Komárno rijden we voor de tweede keer deze reis Slowakije binnen. Even lijkt het erop dat wegnummer 63 een rivier is geworden, maar door de watermassa heen ontwaren we toch nog wat witte strepen op het wegdek. Als we de stad ‘uitvaren’ klaart het gelukkig wat op en zetten we koers richting Bratislava. Maar voordat we daar zijn heeft de organisatie nog een verassing voor ons in petto. Als het routeboek ‘sla linksaf naar onbekende weg’ aangeeft raken we het spoor bijster. Na ons idee zijn er teveel ‘onbekende wegen’ naar links en steeds sturen we onze 240  wegen in die veranderen in zandpaden. Dat kan volgens ons niet de bedoeling zijn en aangezien we geen XC240 hebben keren we maar terug naar de secundaire weg. Op die momenten is onze TomTom een onmisbaar accessoire. Het even verderop gelegen gehucht wordt ingetoetst en een tiental minuten later staan we in Trávnik. Hier pakken we de route weer op en zetten koers richting Bratislava. Het landschap hier is niet echt om over naar huis te schrijven en we kunnen gerust stellen dat deze etappe de minst mooie is tot nu toe. De hoofdstad van Slowakije kan daar ook nog niet veel verandering in brengen en we trappen het gaspedaal nog maar even iets verder in om de troosteloosheid snel achter ons te laten. Als we even later de grens van Oostenrijk passeren komt de grote omslag. De donkere grauwe lucht maakt plaats voor helder en zonnig weer en het landschap wordt weer wat vriendelijker. Alleen de gigantische aantallen windmolens zijn een storend element in het landschap. Maar als we de Neusiedler See naderen nemen de aantallen gestaag af. Het zonnetje wat door onze ramen prikt nodigt weer uit voor een terrasbezoek. Even later nemen we dan ook plaats op een terras met schitterend uitzicht over de Neusiedler See. Maar lang kan het bezoek niet duren want Wenen wacht op ons. Al slingerend door het Leithagebirge doorkruisen we sfeervolle wijndorpjes. In dit deel van Oostenrijk, tegen de Slowaakse en Hongaarse grens, vinden we de bekendste wijngaarden van het land. We laten het fraaie heuvelachtige land achter ons en zette koers naar ons einddoel. Via wegnummer 15 rijden we de Oostenrijkse hoofdstad binnen. Het is weer even wennen aan het drukke verkeer. Waarschijnlijk was het hier een stuk rustiger in de tijd dat Johan Strauss zijn meesterwerken componeerde. Na een tijdje bereiken we dan toch Hotel Mercure Westbahnhof. Ook hier weer een fraaie ondergrondse parkeergarage voor onze Zweedse vriend.  Alleen vraagt het wel enige stuurmanskunst om zonder schade de kelder in te ‘duiken’. Blijkbaar is de ontwerper er vanuit gegaan dat alle moderne auto’s automatisch inklapbare buitenspiegels hebben en niet groter zijn dan een Volvootje 340. Maar na wat passen en meten lukt het toch om onze lange 18-jarige Zweed na zijn rustplaats te sturen. Hier mag hij weer twee dagen overnachten omdat zijn baasjes morgen Wenen gaan verkennen. Als we de hotelkamer betreden trekt de lucht dicht en even later breekt buiten de hel los. Het fraaie weer heeft plaatsgemaakt voor bakken regen en veel wind. De windmolens, waar we eerder die dag langs reden, kunnen weer de nodige kilowattuur bijschrijven op hun teller. We zien de laatste deelnemers door ons hotelraam binnendruppelen en deze omschrijving kunt u gerust letterlijk nemen. Na een frisse douche is het tijd voor de Wiener Schnitzel en samen met equipe 4 smullen we in het restaurant van dit overbekende vleesgerecht uit de Weense hoofdstad. Na het avondeten wandelen we nog even door de druilerige straten rondom het hotel. Hopelijk is het morgen tijdens de rustdag wat beter weer om Wenen te ontdekken, want bij de wals ‘An der schönen blauen Donau’ denk ik toch niet meteen aan donker en regenachtig weer.

Dag 13 – 10 juni: Wenen-Tittling

Na de rustdag in Wenen kunnen we ons op gaan maken voor de laatste gezamenlijke etappe met de andere deelnemers. Na een fraaie droge dag met veel zon vallen ook vandaag de eerste zonnestralen weer vroeg door het hotelraam. Na het ontbijt gaan we onze vriend weer proberen veilig buiten te krijgen. De uitrit van de garage is tevens inrit en als het sein op groen staat stuur ik onze Classic steil omhoog door het smalle poortje. Het prachtige geluid van de B230FD motor galmt door de parkeergarage en Strauss zou jaloers kunnen zijn op deze 240e Symfonie van Frank. Eenmaal buiten kan de zonnebril weer op en langs het gigantisch spoorweg emplacement van treinstation Westbahnhof rijden we op ons gemak de schitterende stad uit. Al gauw zitten we weer tussen de groene heuvels en hier voelt onze 240 zich helemaal thuis. Groene lijntjes op de landkaart langs de wegen, dat heeft hij het liefst. Nadat er ongeveer 80 kilometer asfalt onder ons door gegleden is naderen we de Abdij van Melk. De route komt er vlak langs dus maken we een klein ommetje om even dit barok bouwwerk gade te slaan. Wij zijn blijkbaar niet de enige, want op het parkeerterrein staan al meerdere Volvo’s zij aan zij. Na een kleine wandeling hebben we een schitterend uitzicht op de tussen de heuvels gelegen abdij. In de felle zon is het in geel en wit opgetrokken bouwwerk een opvallende verschijning. De tijd ontbreekt ons om een bezoek te brengen aan deze abdij met zijn vele historische kunstschatten. Een wandeling door de bijgebouwen met zijn vele foto’s geven wel een aardige indruk van dit fraaie complex. Dat vonden de 280 experten van National Geographic Traveller Magazine blijkbaar ook en zij verkozen de Abdij van Melk tot meest authentieke bestemming ter wereld. Na een kop koffie met meerdere deelnemers op het zonnige terras wordt het weer tijd om de contactsleutel om te draaien. Via de oevers van de Donau rijden we richting Passau. Het is een fraaie route en zo nu en dan doorkruisen we dromerige dorpjes die tegen de hellingen lijken aangeplakt. Na een aantal uurtjes toeren bereiken we de historische stad Passau. Hier komen de rivieren Donau, Inn en Ilz tezamen. Deze schitterende stad wordt dan ook wel Dreiflussenstad genoemd. Tijd om de stad te bezoeken hebben we helaas niet omdat die avond het afscheidsdiner plaats vind, en dat willen we natuurlijk niet missen. Maar tijdens het doorkruisen van de stad krijgen we een goede indruk van deze stad aan de zuidkant van het Bayerischer Wald. Het is nu nog slechts een kleine 25 kilometer naar onze eindbestemming Tittling. Via een zeer fraaie route bereiken we aan het eind van de middag het beetje gedateerde hotel Dreiburgensee. De buitenzijde ziet er fraai uit maar van binnen gaan we terug naar de jaren zeventig. Vanwege het fraaie weer nemen de meeste deelnemers plaats op het terras. Het is de ideale gelegenheid om de reis van de afgelopen twee weken nog eens gezellig samen door te nemen. Daarna maken we nog een kleine wandeling langs de oevers van de Rothauer See en na een verkoelende douche is het tijd voor het afscheidsdiner. Voorafgaand aan het diner spreekt Klaas Postma, de voorzitter van de stichting KAR, nog even de menigte toe. Hij doet in het kort nog even verslag van de afgelopen reis en deelt ons mede dat de organisatie in 2013 een volgende fraaie reis in petto heeft. Hij wenst alle deelnemers nog een goede en veilige thuisreis en hoopt ons graag nog eens terug te zien. Daarna is het smullen geblazen en na een goede nachtrust kunnen we ons opmaken voor de laatste officiële etappe van de Tatra Trail Classic.

Dag 14 – 11 juni: Tittling-Utrecht

Vandaag staat dus de route Tittling-Utrecht in het routeboek, maar de meeste deelnemers plannen hun eigen terugreis. De een zoeft in een ruk naar huis de ander plakt er nog een paar dagen aan vast. Wij volgen in ieder geval het eerste gedeelte van de route door het prachtige Bayerischer Wald om na 160 kilometer het gaspedaal wat verder in te trappen op de Duitse autobaan. Aan het eind van de middag bereiken we ons hotel in het stadje Boppard aan de Rijn. Het is weer even wennen zonder de andere deelnemers. Maar ja, aan alles komt een eind en we denken met volle tevredenheid terug aan een fantastische reis met een leuk gezelschap. Alles was door de organisatie perfect geregeld en onze VOLVO 240 heeft zonder technische problemen de reis doorstaan. Twee losgetrilde bouten van de passagiersstoel waren eigenlijk het enige mankement. Maar met wegen die er niet altijd overal even strak bij lagen is dat natuurlijk niet vreemd. Morgen dan de laatste etappe en dan zit de reis er echt op. Het was een genot om twee weken te toeren met onze Zweedse vriend. Een grote pluim voor ons maatje en natuurlijk ook voor de heren van de organisatie; Klaas, Martin en Theo bedankt!

Frank van Gurp

Een reis met veel geschiedenis en cultuur. Een reis om nooit te vergeten.

Bovenstaande regel had ik al voor het vertrek van de Tatratrail in mijn laptop gezet, niet wetende dat het achteraf maar al te waar zou zijn. Als je meerdere grote steden gaat bezoeken dan kun je er vanuit gaan dat je met cultuur van die steden te maken krijgt en in veel gevallen ook met de geschiedenis van de stad. Neem nu b.v. de voormalige Oost Duitse stad Dresden. In de 2e wereldoorlog zwaar gebombardeerd door de geallieerden en nu voor een groot deel weer gerestaureerd. Ook van de fameuze “Frauenkirche” was maar weinig overgebleven en juist tijdens ons bezoek aan de stad was de kerk weer te bezichtigen zoals ooit te voren.

Of neem de Tsjechische hoofdstad Praag. We hebben gestaan op het Wencelausplein waar de Tsjechische student Jan Palach in januari 1969 zichzelf in brand stak als protest tegen de bezetters van de Warschaupakttroepen. Nog op de dag van zijn overlijden stonden duizenden mensen op ditzelfde plein om hem te herdenken.

Maar eerst even terug naar de start van de Tatratrail. Die begon natuurlijk al in ons eigen land. Voor de meesten betekende dit toch een fikse aanvangsrit van ongeveer 800 kilometer en de afspraak was dat we in het Zuid Duitse Zwickau samen zouden komen.

Zelf hadden we deze rit maar in 2 delen geknipt en na ruim 400 kilometer ons heil gezocht in een plaatsje in het Harzgebergte. ‘Frau Jens’ heette ons van harte welkom in het over gedateerde pension. Belangrijk voor ons was dat het schoon was en dat we ’s avonds een belangrijke voetbalwedstrijd konden zien. We reisden samen met Ger en Lucia woonachtig in het Groningerland. Ger had deze keer zijn prachtig gerestaureerde Volvo 220 meegenomen.

De volgende dag werd de B18 en de B20 motor weer gestart voor onze vervolgreis naar Zwickau. We naderden het grensgebied van voormalig Oost- en West Duitsland en ik voelde toch enige vorm van gespannenheid in mij. Dat heeft alleszins te maken met mijn verleden en vraagt natuurlijk om enige uitleg.

Ooit was ik een militaire huzaar in het Nederlandse leger nabij Bergen Belsen. Maar al te vaak surveilleerden wij langs het “IJzeren gordijn”. Iwan was destijds onze vijand en die moest in de gaten gehouden worden. Dat deden wij met verve en met zware tanks, waarmee wij oefenden op de Luneburgerheide. Af en toe mochten wij een kijkje nemen bij de vele prikkeldraad versperringen en werden daarnaast geschoold in de militaire strategie van de vijand. Dat alles maakte destijds grote indruk op mij. Vandaar vermoedelijk mijn verhoogde hartslag toen wij de voormalige grens zouden gaan passeren.

Zwickau

Het stelde eigenlijk niets meer voor. Een bord met een opschrift gaf aan dat ter plekke ooit een “zonengrenze” had gelegen en vervolgens reden we maar zo voormalig Oost Duitsland binnen. Hoe zou het land er uit zien? Het overtrof onze verwachtingen. Prachtige wegen, leuke dorpen, mooie natuur en aardige mensen. Wat moeten die mensen een verandering hebben ondergaan. In mum van tijd waren we in Zwickau en bezochten daar het August Horch automuseum. Ik kende het automerk wel, maar nooit geweten dat ze destijds zulke prachtige auto’s van de band lieten rollen. Het bijzondere aan het museum is dat het is gevestigd in de voormalige assemblagefabriek. Precies in het hart van de oude Audi-fabriek.

Aan het eind van de dag waren alle deelnemers aan de Tatratrail van heinde en verre in het eerste onderkomen gearriveerd en konden ‘s avonds aanschuiven voor het welkomst diner. Het Volvo volkje is niet zo groot en dus was het voor velen een plezierig weerzien. De volgende dag stond er direct al weer een pittige rit op het programma. Het einddoel op die dag lag in hartje Praag. Maar voor het zover was moest er eerst wel bijna 300 kilometer worden overbrugd. De tocht voerde door het Ertsgebergte, een bergketen in Duitsland en Tsjechië die over een lengte van 150 kilometer de grens tussen beide landen vormt.

Dresden

Het merendeel van de deelnemers bezocht de al eerder genoemde stad Dresden. De stad is de hoofdstad van de Duitse deelstaat Saksen en kent een geschiedenis vanaf het jaar 1485. Meerdere keren is de stad verwoest. Branden, kanongebulder, oproer en totale vernietiging door Britse en Amerikaanse bommenwerpers teisterden de stad en kwam in 2002 nog in het nieuws door overstromingen van het verwoestende water van de Elbe.

De tocht met onze Volvo’s ging verder langs de fraaie oevers van de Elbe. Onderweg vonden we een mooi plekje om te picknicken. We passeerden het plaatsje Pirna. Het zei mij niets. Tot het ogenblik dat Jenny (echtgenote) begon te verhalen over de afschuwelijke gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden in een psychiatrische kliniek in die plaats. Aan deze gebeurtenissen lagen de vernietiging van de Joden ten grondslag. Brr, gauw verder, maar we waren er nog niet klaar mee. De tocht langs de Elbe voerde ook langs het voormalig concentratiekamp Theresienstadt. Met ons vieren waren we nagenoeg de enige bezoekers aan het kamp. Er stond een grote Davidsster voor de ingang van het kamp, gemaakt van spoorrails. We liepen langs de honderden gedenkstenen. We lazen de vele namen van de slachtoffers en een naam staat nog in mijn geheugen gegrift: ‘Rose’, een meisje van nog geen 15 jaar. Wat zou er met haar gebeurd zijn? Heel veel stenen hadden alleen een nummer. Niet eens een naam! Ik vond het schokkend.

In het kamp hing een beklemmende sfeer. Het was of de kampbewoners nog maar net vertrokken waren. De barakken, de gevangenis en de executieplaats, het maakte grote indruk op ons.

Toen we het concentratiekamp via de lange laan met bomen verlieten voelde ik mij akelig. Toch was ons bezoek aan het kamp waardevol.

Praag

Korte tijd later draaiden wij de parkeerplaats op van het hotel in Praag. Jenny had ook nu de reis weer goed voorbereid. Alle bijzonderheden die we onderweg tegenkwamen stonden op papier en konden eventueel met een bezoek vereerd worden. Dat scheelt een heleboel zoekwerk als je eenmaal in het vreemde land bent. Op een A4 lees ik b.v. of een hotel internet heeft op de kamers, of er een zwembad is, of een parkeergarage en wat de kosten daarvan zijn Hoe het centrum van de stad te bereiken is. Hoe je een kaartje kunt kopen in het metrostation. Hoeveel de buitenlandse munt waard is. Allemaal praktische zaken waar je veel gemak van hebt.

Natuurlijk werd de binnenstad van Praag bezocht en omdat de temperatuur boven de 25 graden was, kostte dat de nodige extra energie. Praag is een schone stad en staat vol met monumentale gebouwen. Op de voetgangers brug over de Donau proberen tientallen straatmuzikanten een centje bij te verdienen, of misschien wel in hun levensonderhoud te voorzien. Ik werd aangesproken door een Russische muzikant die vroeg waar ik vandaan kwam en vervolgens speelden de 4 mannen het Wilhelmus uit volle borst! Ook een van de trekpleisters was een astronomisch uurwerk. Veel mensen stonden zich te vergapen aan dit ingewikkeld stukje vernuft, omdat er van alles zou gaan gebeuren wanneer de wijzers van het uurwerk weer een uur vol hadden gemaakt. Het resultaat viel nogal tegen.

’s Avonds konden we verkoeling zoeken op een boot, waarmee heen en weer over de Donau werd gevaren. Echt spectaculair was het niet, evenals het aangeboden buffet. Bij het invallen van de duisternis werden steeds meer markante punten van de stad prachtig verlicht en dat vergoede veel van de tocht.

De volgende dag vanuit Praag dieper het Tsjechische land in getrokken tot aan de plaats Olomouc. Een mooie rit door de heuvels, echter ook met de nodige neerslag. Sommigen troffen een flinke hagelbui, waardoor het groene blad van de bomen en struiken op de weg terecht gekomen was.

Ik had nog nooit van de stad Olomouc gehoord en ik weet nu dat er heel veel over te vertellen valt. Ik beperk mij tot een enkele opmerking. De stad wordt al in het jaar 1017 genoemd en kent sindsdien een rijke geschiedenis. Dat de Romeinen ook hier hun invloed hebben gehad was duidelijk te zien. Het blijft onvoorstelbaar hoe men in die tijd met heel andere middelen zulke bouwwerken hebben weten te vervaardigen.

Auschwitz

De volgende dag zou voor velen van ons een bijzondere dag worden. Op weg naar de Poolse stad Krakow zou het concentratiekamp Auschwitz worden aangedaan. Bij aankomst werden we opgewacht door driftig zwaaiende mensen om vooral bij hun te parkeren. Op de parkeerplaatsen stond het vol met auto’s en bussen. Even bekroop mij een `onheimlich`gevoel. Was het zo commercieel geworden?

Persoonlijk vind ik dit verslag niet een goede plek om uitgebreid te vertellen over ons bezoek aan dit vernietigingskamp. Ik hoef de geschiedenis van Auschwitz hier ook niet te herhalen. Het zal bij veel mensen wel bekend zijn, hoewel? Iedere groep kreeg een gids toegewezen om het juiste verhaal van het kamp te horen. Onze groep trof een Poolse lerares die de Duitse taal sprak en met behulp van een hoofdmicrofoon goed was te verstaan. Dat kwam ook door haar innemende wijze van spreken. Wij hebben nu de afschuwelijke geschiedenis van Auschwitz en het verderop gelegen Birkenau gehoord en gezien. Wij hebben de gebouwen betreden en over de paden en spoorrails gelopen in een kamp waar zoveel mensen de dood in werden gejaagd. Na afloop namen we geëmotioneerd afscheid van de Poolse reisgids. Wij waren haar veel dank verschuldigd.

Als je een bezoek hebt gebracht aan Auschwitz dan zou je dat als mens kunnen veranderen. Je zou met deze lessen iets kunnen doen. Al was het alleen maar voor de dag van morgen.

Teruggekomen op de parkeerplaats kon ik al die auto’s en talrijke bussen beter verdragen.

(PS, ik heb veel foto’s gemaakt van beide kampen. U zult ze niet in dit verslag aantreffen, maar mocht u daar belangstelling voor hebben laat het me dan even weten).

Krakow

In deze grote Zuid Poolse stad troffen wij een prachtig hotel aan, al was de parkeerruimte voor al onze auto’s wat krap. Hier en daar kwam een Volvo in de bosjes te staan. Gelukkig was er wel bewaking bij aanwezig. Zelfs met een grote hond.

Het ene hotel is het andere niet. Als je te gast bent met zoveel voertuigen in een grote stad kom je al gauw in een ondergrondse garage terecht. Daar moet dan weer voor betaald worden, ook al hoort de garage bij het hotel. Je hebt daarin geen andere keus en bovendien is het je wel wat waard dat de auto ‘van de straat’ is.

Je bent te gast in een ander land en dan krijg je ook te maken met andere gewoonten en gebruiken. Wij Hollanders hebben in veel gevallen zaken goed geregeld en er zit vaak structuur achter. Het is dan grappig om te zien hoe de bediening van een hotel-restaurant zich kennelijk geen raad weet met al die assertieve Hollanders. Je bent gewoon geneigd even de zaken over te nemen.

Prachtige hotels zijn we tegen gekomen. Er was zelfs een Hilton hotel bij, waar je bijna met je Volvo door de badkamer kon rijden. Echter was het diner weer geen culinair hoogstandje.

Voor een paar centen werd je met een taxi naar het centrum van de stad gebracht. Velen van ons hebben zich daar prima vermaakt. Op de vele terrassen kwam je steeds weer landgenoten tegen. Ik kreeg de indruk dat sommigen steeds een terras opschoof. Anderen lieten zich als een vorst rondrijden in een open chalet met prachtige paarden als krachtbron.

Krakow is een voormalige hoofdstad van Polen en is een van de belangrijkste cultuursteden van Europa. Daarnaast is het ook nog eens een hele mooie stad. Het stadscentrum staat op de Werelderfgoedlijst van de Unesco.

Tatragebergte

De volgende dag werd Krakow verlaten om halverwege de grens met Slowakije, de beroemde zoutmijnen van Wieliczka te bezoeken. Het uiteindelijke doel was op die dag de nog Zuidelijker gelegen Poolse stad Zakopane. De overnachting zou plaatsvinden in een hotel met de welluidende naam: “Belvedere”. Dat klonk goed en het was goed, al was het stadje wel erg toeristisch. Op een gezellig terrasje werd de inwendige mens versterkt en deze keer met een heuse regenboog forel. Heerlijk voedsel en voor weinig Poolse munten.

De volgende dag stond de 8e dag van de Tatratrail op het programma en dat betrof de rit door het gelijknamige gebergte met als eindbestemming het in Slowakije gelegen Košice. De Hoge Tatra is een gebergte op de grens van Slowakije en Polen en vormt een keten met de Beskiden en de Karpaten.

De rit door de bergen en heuvels van het Tatra gebergte was mooi om te rijden. Toch was het soms uitkijken voor de gaten in het wegdek. Het betekende maar al te vaak de snelheid aanpassen en soms slalommend je weg proberen te zoeken. Dat kostte natuurlijk de nodige extra energie en soms kwam je bekaf bij het hotel aan. Sommigen van de groep werden geconfronteerd met een omleiding. Ergens bij een afslag stond een bord met ‘doodlopende weg’. Vreemd, dachten wij nog, zomaar op een doorgaande route in de bergen. Wij reden ook door en hadden geluk. De wegversperring was net weggehaald. Anderen hadden pech en kregen te maken met een forse omleiding, omdat op een gedeelte van de route een of ander rally gebeuren had plaatsgevonden. Toch raar om daar een bord ‘doodlopende weg’ voor te gebruiken.

Bij het ‘terughalen’ van de gebeurtenissen van de Tatratrail viel het nog niet mee om alles een beetje chronologisch te houden. Was het nu in Slowakije of zaten we al in Hongarije? In 14 dagen tijd bijna 4000 kilometer rijden betekend gewoon dat je veel hebt kunnen zien. Zo ook de gebeurtenis bij de grote ruïne gelegen op een hoogvlakte nabij onze eindbestemming. Heuvel opwaarts er naar toe lopen zou een lastige klus worden. Bovendien dreigde een onweersbui.

Uiteindelijk kwam de plaatselijke Politie met een andere oplossing. Aan de andere kant van de heuvel kon de ruïne met de auto benaderd worden. Ze begeleiden er ons zelfs naar toe. Scheelt soms kennelijk toch als je dezelfde taal spreekt.

Terug van het strategisch gelegen erfgoed kwamen we door een dorpje vermoedelijk bewoond door Romanen of Sinti. We schrokken ervan. Honderden houten onderkomens bewoond door het nomaden volk van weleer. De talrijke bewoners keken natuurlijk op van hun bezigheden en de op straat spelende kinderen zwaaiden enthousiast naar ons. Iemand noemde de onderkomens ‘konijnenhokken’. Dat was wel een beetje oneerbiedig, maar het was wel waar. Het zag er heftig uit. Ik had maar al te graag wat foto’s willen nemen om weer te geven hoe deze mensen huisden. Van de andere kant was er weinig voorstellings vermogen voor nodig om te weten hoe dit zou zijn. Het kan haast niet anders dat de doorkomst van zoveel oude Volvo’s het enige hoogtepunt voor hen was die dag.

De ‘cultuurschok’ kwam niet veel later: we namen ons intrek in het luxueuze Hilton hotel in Košice.

Boedapest

De volgende dag een lange rit naar Boedapest over ruim 400 kilometer. De tocht voerde langs en door tientallen dorpen en steden. Je kunt er weinig van navertellen. De namen zijn niet uit te spreken. De wegen werden er niet beter op. Om niet te zeggen erbarmelijk slecht. De adviessnelheid was soms 20 kilometer per uur en dat was soms nog te snel. Het wegdek bestond lange tijd weliswaar uit asfalt maar de machine had destijds her en der hoopjes asfalt uitgespuugd, waarover wij met onze oldtimers een weg moesten zien te vinden. Zelf was ik daar niet zo blij mee. Je voelde soms de hele auto trillen en protesteren. Als gevolg van deze ‘marteling’ kreeg een van de auto’s pech. Een drukleidinkje van de olietemperatuurmeter was losgetrild. Over een afstand van ca. 200 meter was de auto nagenoeg al zijn olie kwijtgeraakt. Het betekende een lange stop in de brandende zon om de motor af te laten koelen voor het probleem verholpen kon gaan worden. Met het plaatsen van een oliedrukzender was het gat gedicht en kon er verder gereden worden. Het onderdeel werd aangeleverd door het meereizende technisch team.

Trouwens de werkzaamheden van het team zouden de gehele reis beperkt blijven en werden mede veroorzaakt door aangebrachte accessoires aan de auto. En soms is een storing lastig op te sporen, vooral als de medepassagier onwetend de centrale massasleutel heeft beroerd.

Omdat we een behoorlijke achterstand hadden opgelopen besloten we de rest van de tocht naar Boedapest over de snelweg te rijden. We kwamen terecht in een hotel gelegen in hartje stad en dus verdwenen de Volvo’s weer in ondergrondse parkeergarages.

We zouden 2 nachten verblijven in Boedapest en dat betekende dus een rustdag. Zelf ’s morgens vroeg opgestaan om de stad hardlopend te verkennen. Omdat het zelfs om 07.00 uur al behoorlijk warm was besloot ik de diverse bruggen over te steken en zo een beetje verkoeling te zoeken van het water. Boedapest is de hoofdstad van Hongarije en speelt een dominante rol op bijna alle gebieden. Ook in deze stad is de invloed van de Romeinen te herkennen.

Ooit geweten dat de naam van deze prachtige – aan de Donau gelegen – stad is samengevoegd uit 2 steden te weten Boeda en Pest?

Voor alle duidelijkheid: een rustdag betekend dat er niet gereden hoeft te worden met de Volvo’s, maar het geeft wel de gelegenheid om iets anders te doen. Je kunt meedoen met een excursie door de stad, waarbij een gids allerlei bijzonderheden verteld, of je laat je rondtoeren door een ‘Citybus’ met ook nog een boottochtje over de Donau. In alle gevallen krijg je een aardig beeld van de stad. In alle gevallen kan het behoorlijk vermoeiend zijn.

Eigenlijk gaat het de hele reis zo. Je maakt in 14 dagen tijd veel kilometers en bezoekt daarbij veel landen, steden en dorpen. Je ziet dus in korte tijd heel veel. Dat kan boeiend zijn en interessant en je kunt er mooi over meepraten.

Toch vind ik het rijden met je eigen Volvo oldtimer in den vreemde het mooiste en na een rustdag begint het al weer te kriebelen.

Door de organisatie van de Tatratrail was een reisbureau aangetrokken om wat zaken te organiseren. Zo stond er in Boedapest ook nog een “Hongaarse avond” op het programma. Een bus bracht de deelnemers naar de lokaliteit. De ‘Hongaarse avond’ bestond uit zang en dans en een Hongaars diner. Alles werd in een vlot tempo geserveerd. Te vlot, naar de mening van sommigen en zo kon het gebeuren dat we aardig op tijd terug waren in het hotel.

Bratislava en Wenen

Van de ene grote hoofdstad naar de andere. Deze alinea gaat over de reis van Boedapest naar Wenen. Een reis van modder, regen en natte voeten. Althans voor sommigen. Zelf hadden we er voor gekozen om de aangeven route even links te laten liggen om een bezoek te brengen aan Bratislava. Een stad gelegen nabij de grens met Oostenrijk.

Anderen volgden wel de route en zouden het nodige beleven. Waar begint een route en waar eindigt die? Dat kan soms een dilemma zijn, een keuze waar je voor komt te staan. Ervaring en doorzettingsvermogen gaan dan een rol spelen. Als je meent door te moeten zetten kan dat een modderbad betekenen voor je Volvo. En aldus geschiedde, maar eerlijk is eerlijk men kwam wel op het goede spoor.

Het bezoek aan de hoofdstad van Slowakije Bratislava was de moeite waard. Bij het verlaten van de eveneens aan de Donau gelegen stad kregen we al een fikse regenbui te verwerken. De onze ruitenwissers 544 konden het maar aan en dus de snelheid aangepast. Even later was het weer droog en konden we ons concentreren op de passage dwars door de binnenstad van Wenen. Dat bleek ook wel nodig want het was spitsuur en knap druk. Toch lukte het ons om met behulp van de Tomtom zonder problemen de ingang van het hotel te bereiken.

Nog maar net in het hotel brak er boven Wenen een wolkbreuk los. Een gigantische bak met water kwam er in korte tijd naar beneden. ‘Poeh, net op tijd binnen’, stelden we met genoegen vast. “Blij dat de Volvo in de parkeergarage staat’. Er waren echter ook nog heel wat deelnemers onderweg en van hen hoorden we later wat ze mee hadden moeten maken. Sommigen kwamen tijdens de wolkbreuk stil te staan voor een spoorwegovergang, waarvan de bomen niet meer omhoog wilden. Toen dat wel weer mogelijk was hadden ze een plas water voor zich wat gepasseerd moest gaan worden. Het gevolg was dat het water over de bumpers kwam!

’s Avonds kreeg een chineesrestaurant op de hoek bij het hotel het behoorlijk druk. Het regende nog steeds en menigeen van de Tatratrail deelnemers dook de lokaliteit in.

Natuurlijk werd de volgende dag ook Wenen weer verkend. Weer heel bezienswaardigheden gezien. We weten nu waar Mozart heeft gewoond en we stonden aan de voet van het standbeeld van de filosoof Goethe. Op zoek naar wijsheden van deze man kwam ik een aardige uitspraak tegen: “Een wijs man vindt bijna alles belachelijk, een verstandig man bijna niets.” Daar kunnen we wel wat mee dacht ik zo.

Toch bekroop ons het gevoel dat we na zoveel grote steden een beetje aan het verzadigen waren. Je neemt niet zoveel meer op en je verbaasd je ook niet meer zo snel. We hadden even genoeg cultuur en geschiedenis gezien en gehoord.

Daarnaast kwam het einde van de Tatratrial ook in zicht en het zal zo zijn geweest dat je daar ook een beetje naar toeleeft.

Toch kwam er nog een heerlijk toetje. De volgende dag stond de laatste gezamenlijke rit op het programma van Wenen naar het Duitse Passau. Een rit over 290 kilometer en veelal langs en over de Donau en door het Bayerische Wald. Voor velen een van de mooiste ritten van de tocht. Een 10 en een griffel voor de organisatie.

Passau/Tittling

Het hotel voor de laatste gezamenlijke overnachting lag prachtig landelijk gelegen. Het hotel inclusief personeel was al een beetje ‘over de datum’ aan het worden. Sommigen van ons troffen het zelfs om in een stapelbed te mogen slapen. Voor de rest was het erg gezellig. Het merendeel van de deelnemers streken na aankomst neer op het terras van het hotel. Anderen zochten hun heil even in het aantrekken van de sportschoenen om te ontdekken dat de omgeving van het hotel wel heel erg mooi was.

’s Avonds was er het afscheidsdiner en sprak de voorzitter van de stichting ‘Klassieke Automobiel  Reizen’, memorabele woorden. Het technisch team werd bedankt voor de bewezen diensten en natuurlijk de hele organisatie zelf voor alle inspanningen voor deze Tatratrail.

De volgende dag is er dan het afscheid. Het merendeel toog huiswaarts, anderen verlengden de vakantie met een verblijf elders in Europa.

Weer thuis

Zoals we gekomen waren, zo gingen we ook weer: met ons vieren in 2 dagen naar huis. Natuurlijk werd onderweg de reis al geëvalueerd. In 2 weken tijd weer veel gezien en mogen beleven. Prachtige steden met al hun cultuur en geschiedenissen. Mooie landstreken met hun bewoners, maar bovenal genoten van het reizen en rijden met onze Volvo’s.

Eenmaal thuisgekomen kunnen de belevenissen weer worden teruggehaald met het bekijken van de vele gemaakte foto’s en misschien dat dit verhaal er ook een beetje toe kan bijdragen.

Dick Scholing

Redactie VKM

Tatra Trail Classic: ‘Veel gezien, veel genoten’

Ruim 75% van ons huwelijk verkeren wij in onze vrije tijd in oldtimerkringen, zij het dan dat in de beginperiode van onze autohobby het begrip oldtimer een ander karakter had. Het waren toen meer hobbyauto’s en in ons geval was het geheel terug te voeren tot mijn jeugd omdat ik als jongste van 3 broers, opgegroeid ben in een gezin dat altijd een auto bezeten heeft. Net na de oorlogsjaren (’40 – ’45 voor de goede verstaander), had mijn vader voor zijn werk een auto nodig en mijn oudste broer (die nu 70 jaar is) kan zich nog heel goed herinneren dat mijn vader een Studebaker pick-up reed. Bij mij gaan mijn oudste herinneringen terug naar de beginjaren ’50, toen mijn vader een nieuwe Fiat 500 in bestelwagenuitvoering kocht, in de beleving van een jongetje van zo’n 4 jaar oud, een grote auto, niet in de laatste plaats omdat het hele gezin, man, vrouw en 3 jongens daarmee naar het buitenland op vakantie ging: 2 tenten, slaapzakken, proviand voor 2 weken, kleding, heel de santenkraam ging in/op de Topolino. Anno nu is dat een absoluut ondenkbare situatie. Suzanne’s herinneringen van haar vaders eerste auto dateren van eind jaren ’60, toen een 2e-hands Fiatje 600, aangeschaft voor de prijs van een leuke fiets, het gezin meer kopzorgen bezorgde om hen bij regenachtig weer droog en zonder panne van Spijkenisse naar Poortugaal te vervoeren.

Geen wonder dan ook dat toen Suzanne en ik zo’n kleine 10 jaar getrouwd waren en beiden al jaren ieder in een comfortabele auto reden, er kriebels kwamen om een hobby-auto aan te schaffen en zoals in die tijd gebruikelijk, gaf “mijn stem als hoofd van het gezin” de doorslag en werd het een Topolino, een Simca-5 licentie uit 1936 waar wij beiden inmiddels al grote reizen mee gemaakt hebben en dankbare herinneringen aan koesteren.

Het wagenpark is inmiddels uitgebreid tot zo’n kleine 20 auto’s, het aantal lidmaatschappen van clubs tot 4 en één van de auto’s uit de verzameling is een Volvo 262 Coupé. Omdat een Italiaanse carrosseriebouwer verantwoordelijk was voor de vormgeving ( Bertone) is hij met enige fantasie goed in te passen in ons Fiat-bestand. De auto is inmiddels zo’n 28 jaar in ons bezit en heeft gediend als dagelijks vervoermiddel voor het gezin. Toen hij aan vervanging toe was hebben we hem niet ingeruild zoals te doen gebruikelijk was, maar gedurende ca. 20 jaar in een garage geplaatst met de bedoeling om de auto na mijn pensionering weer als dagelijkse auto te gaan gebruiken. Met een lokaal garagebedrijf was de afspraak gemaakt dat die hem in orde zou brengen maar zoals zo vaak, als je geen harde afspraken maakt over de tijd waarin dat moet gebeuren, dan komt daar niets van terecht. Zo ook nu en die garagehouder heeft de auto gedurende de laatste 1 ½ jaar buiten geplaatst en dat is nou net het enige dat je niet met een Bertone moet doen. Gevolg, een totale restauratie met een eindresultaat dat er zijn mag, een weer zeer fraaie 262 Bertone.

Omdat we inmiddels weer lid geworden waren van het 262 Register – de club waar wij in 1988 nauw bij de oprichting betrokken waren – waren we verrast dat met de toezending van het Clubmagazine begin dit jaar, er een schrijven was bijgevoegd van de Stichting Klassieke Autoreizen dat er eind mei/begin juni de Classic Volvo Tatra Trail georganiseerd zou worden. Bij Suzanne en mij begon het direct te kriebelen omdat wij in de ruim 32 jaar dat wij in de Topolino-wereld actief zijn, wij zelf altijd of mede- of eindverantwoordelijk waren voor de organisatie van ritten, meetings, reizen etc. Nu zouden we een keer in fauteuils van de net gerestaureerde 262 een prachtige rit kunnen maken zonder dat je als vraagbaak en steun- en toeverlaat voor iedereen moest optreden!! We hebben ons dan ook direct aangemeld en op de eerste de beste Registermeeting van ons enthousiasme laten blijken, maar ondanks dat zouden wij de enige 262-ers blijven.

De voorbereidingen van de organisatie waren veelbelovend, een keuring van de auto in Beesd – de plaats waar in 1988 de eerste meeting van het 262-Register plaats vond – en de uitreiking van het “route- en smoelenboek”: de voorpret kon beginnen met het verkennen van de route, uitzoeken welke plaatsen wij per sé wilden bezoeken en “op papier de andere deelnemers leren kennen”. We keken dan ook reikhalzend uit naar de datum van de 28mei, de zaterdag vóór de eerste samenkomst in Zwickau: Suzanne en ik wilden op ons gemak de eerste 700 km’s afleggen.

Maar een 2 weken voor deze startdatum, op het moment dat ik een klein ritje maakte met de 262, hoorde ik een verdacht tikje uit het vooronder komen, een geluid dat na een 80 km een tik geworden was en mij het angstige vermoeden deed bekruipen dat de bekende 262-kwaal zich aan het ontwikkelen was; een nokkenas die bij de koude start te weinig olie krijgt! Een bezoek aan mijn lokale garagist (een BMW-specialist met liefde voor bijzondere auto’s) legde ook zijn oor te luister en pleegde vervolgens het nodige overleg met Hans van Buiten, één van de 2 techniekers die de deelnemers aan de Trail zouden vergezellen. Hans bleek een behoorlijke ervaring te hebben met de V-6 motor en mijn vermoeden werd bewaarheid: de achterste tuimelaar van de linker kleppenrij was behoorlijk afgesleten en verantwoordelijk voor het harde tikkende geluid! Er bleef niets anders over dan de motor uit elkaar te halen en te proberen de nodige onderdelen te verkrijgen. Dat laatste viel nou niet direct mee en het resultaat was dat Suzanne en ik een andere voiture van stalling moesten halen om de reis, waar wij ons zo op verheugd hadden, te maken. De keuze viel op de Coupé-Fiat uit 1995, toch al een klassieker maar ook een comfortabele reisauto. Zodoende vertrokken wij eind de middag van de 28e mei met de Fiat richting Venlo, waar wij het begin van de vakantie vierden met een etentje in Venlo, gevolgd door wat kroegbezoek maar deze laatste activiteit beviel ons wat minder omdat het door ons toch wel gewaardeerde rookverbod in vrijwel elk établissement werd overtreden.

De andere ochtend vetrokken wij met mooi weer richting Zwickau en na een voorspoedige reis kwamen wij bij het Achat Comfort Hotel aan waar reeds een groot aantal deelnemers aanwezig was. Jammer genoeg waren wij zodanig laat dat wij geen bezoek meer konden brengen aan het August Horch Museum dat helaas op maandag gesloten bleek. Op het zonovergoten terras bij het hotel was het eigenlijk één grote reünie want veel deelnemers kenden elkaar van de Volvo-club maar vooral van een aantal voorgaande reizen waarbij kennelijk de Mille Miglia op velen een diepe, positieve indruk gemaakt had. Wij voelden ons toch wel wat “outsiders”, niet alleen omdat wij de structuur van de Volvo club(s?) niet kenden, velen onbekend waren met het Register van de Volvo Coupés laat staan dat er enige bekendheid was met welke Fiatclub dan ook, dat wij niet deel genomen hadden aan de Mille Miglia of de USA-tour en tot overmaat van ramp dat wij niet met een Volvo waren.

Een significant detail vond ik wel dat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Topolinoclub, niet zozeer de auto centraal stond maar meer de eerder genoemde reizen evenals een kennelijk door veel deelnemers bezochte jaarlijkse meeting in Zeeland. Wij hebben daar veel mensen over horen praten.

Na een gezellig diner waarbij de organisatoren evenals de reisleiding zich voorstelden, werd nog lange tijd op het terras gezellig nagepraat: iedereen was klaar voor de start en popelde om te beginnen!

De andere ochtend zagen wij vanuit onze hotelkamer al diverse Kattenruggen en Amazones de binnenplaats/parking van het hotel verlaten: wij wilden eerst nog langs het August Horch Museum om even de sfeer te proeven die op dat desolate industrieterrein met zoveel autohistorie heerst. Het is niet voor te stellen dat de inwoners van Oost-Duitsland in de ’60-er jaren van de vorige eeuw zo’n 10 tot 15 jaar moesten “sparen voor een Trabant” die daar geproduceerd werd, daarin voorgegaan door de Horch, die het toonbeeld was van de vooroorlogse Duitse upperclass………. In elk geval heeft dit stukje geschiedenis evenals het zeer leuke centrum van Zwickau ons warm gemaakt om er nog een keer een uitgebreider bezoek aan te brengen.

Vervolgens brachten wij een bezoek aan Dresden en op het fraaie plein van de Frauenkirche hebben wij onder het genot van een goed glas wijn, ons verbaasd over de enorme inspanningen die gepleegd zijn na de Wende om die kerk te restaureren. Begin ’90-er jaren hebben wij regelmatig gereisd in voormalig Oost-Duitsland en Polen en de enige kleuren die je destijds aantrof waren de reclameborden van Marlborough en Test the West. Voor de rest was alles grauw, donker en vies en die Frauenkirche was 1 grote bouwval!

De reis naar Praag verliep verder uitstekend. Aan de hand van het routeboek was goed te volgen hoe er gereden moest worden. We hadden ons voorgenomen geen gebruik te maken van de Tom-Tom, maar de eerlijkheid gebiedt te melden dat het wel een verdraaid handig instrument is in de grotere steden, want dan dirigeert hij je feilloos naar de opgegeven locaties.

Naderhand hebben we het apparaat ook overdag gebruikt, maar dan alleen om te weten op welke weg of straat we reden, want het zoeken naar straatnaambordjes met onuitsprekelijke namen viel niet altijd mee!

Praag was ook weer een weerzien na zo’n 10 jaar, maar de stad hebben wij inmiddels diverse malen bezocht en blijft nog altijd even boeiend en fascinerend!

Wij hebben gedurende de gehele reis diepe bewondering gekregen voor de organisatie, die ons eigenlijk via de mooiste routes uitgebreid(er) heeft laten kennis maken met de landen in Centraal Europa. Daar nog bijgevoegd het overwegend zeer fraaie weer en eigenlijk was er niets meer te wensen. De uitstekende accommodaties en de vriendelijke bevolkingen hebben ons doen beseffen dat wij weliswaar in een land leven waar het door elkaar genomen, goed geregeld is, maar waar we ons steeds meer gaan ergeren aan kleine oorzaken met grote gevolgen.

Ik wil dit aan de hand van een voorval nader uit de doeken doen: Suzanne en ik zaten op een bankje in een park in Krakow, zomaar wat kijkend naar de mensen en genietend van het mooie weer. Op een bankje tegenover ons zat een man van een jaar of 25, vermoedelijk een soort kunstenaar met een kapsel waar ik voor geen goud ter wereld mee zou willen / durven lopen – nog afgezien van het feit dat ik maar weinig haar op mijn hoofd heb dat in een dergelijke coup gekapt zou kunnen worden maar dat terzijde – een grote map naast zich waarin vermoedelijk zijn kunstwerken o.i.d. vervoerd werden, en die man zit daar met een mobiele telefoon aan zijn hoofd, intussen een sigaret rokend. Als de sigaret bijna opgerookt is staat hij al bellend op, loopt naar een bankje naast ons waarbij een prullenbak stond, maakt keurig zijn sigaret uit en gooit het restant van de peuk in de afvalbak! Met verbazing hebben wij dat tafereel aanschouwd en waren blij verrast dat een dergelijke mentaliteit gelukkig nog aanwezig is! Ook daarna viel het ons op dat de straten vrijwel zonder uitzondering overal schoon en netjes waren: op de vele pleinen waar veel mensen waren was continu schoonmaakpersoneel aanwezig, kortom, hoe is het mogelijk dat wij eigenlijk accepteren dat wij in/op ons eigen afval leven? Elke 14 dagen maai ik het gras rondom ons huis met erf en omdat wij aan een jachthaventje zitten maak ik dan ook een rondje om de vele lege bierblikjes, lege shagpakjes, Red Bull-blikjes en noem alle andere rotzooi maar op, op te ruimen. De ”oogst” is dan vrijwel altijd een halve grijze vuilniszak vol met afval!! Wij hebben genoten van de schone straten in het voormalige Oostblok!

Pratend over die pleinen, wij vonden het heel markant dat alle grote plaatsen die wij tijdens de Trail aandeden, Krakow, Dresden, Olomouc, Bratislava maar ook Wenen, een zelfde soort structuur hadden. Onwillekeurig moesten wij denken aan de opstanden die dit voorjaar in de Noordafrikaanse landen allemaal begonnen op net zulke pleinen die je toch eigenlijk wel dé centra van die steden mag noemen. De gebouwen en bebouwingen vertoonden ook allemaal dezelfde structuren en zagen er allemaal weer even mooi een netjes uit, trots hun afkomst uit de Oostenrijks-Hongaarse monarchie demonstrerend.

Het voert te ver om in dit verhaal een complete beschrijving te geven van al hetgeen wij gezien en beleefd hebben, maar de reis heeft in alle opzichten aan onze verwachtingen voldaan: wij hebben veel gezien, veel genoten, met veel leuke mensen gesproken, lekker gegeten en gedronken en hoewel we met zo’n 70 personen waren, was er toch een sterke beleving dat je voor het grootste gedeelte op jezelf was aangewezen waarbij een zekere ”clubvorming” het leggen van meer contacten in de weg stond. De auto stond niet centraal, het reizen daarentegen wel.

De organisatoren die wij gedurende de reis beter hebben leren kennen, hebben een prestatie van formaat geleverd en hoewel de technische ondersteuning van Hans van Buiten en Karel van de Greef zich niet met de Coupé Fiat hebben hoeven bezig te houden, is hun aanwezigheid voor de Volvo’s daarentegen van onschatbare waarde gebleken.

Klaas, Theo, Martin en alle deelnemers, reuze bedankt voor de leuke weken, wij hebben genoten.

Rein en Suzanne Osinga

P.S. de Volvo 262 Coupé Bertone doet heta een motor- en stuurhuisrevisie weer als vanouds.